Spring naar inhoud

Subtitel & Mededelingen

augustus 6, 2009

De openlegging van het Echtener Veen ten tijde van het hoogtepunt van de Gouden Eeuw van de Republiek tevens het begin van de  Voortijd  van de Colonie   Hoogeveen.  De jaren 1625-1635 (37).

In drie afdelingen op verschillende manieren verteld.

Leeg Land Bezet I, II en III.

Aktueel:  Nog niet gepubliceerd zijn Leeg Land I-9.1 en 9.2.

Zie vervolg Leeg Land I op Leeg Land Bezet II.

Kopfoto is afkomstig van een schilderij van Gerard van de Weerd

1631

juli 27, 2009

Over wat nu volgt is niets bekend, maar het is mogelijk­ dat het nieuwbakken heertje, nadat de gravers hun werk ge­klaard hebben, aan de voorman van de laatsten de opdracht heeft gegeven twee forse eikenhou­ten palen in de grond te slaan aan de oostzijde van het laatste deel van de grift en wel zodanig dat de uiteinden drie meter boven de grond uitsteken. En dat dan, enige tijd later, aan het eind van een warme herfstdag, een van de knechten van de jonker op een paard langs de grifte is komen aanrijden met achter dit paard aansle­pend een brede en wel vijf meter lange enigszins bochtige eikenhouten plank. Aangekomen bij de twee palen wordt de plank door een ploegje gravers opgehesen en hoog aan beide palen vastgespijkerd. Schitterend in het oranjerood­ van de in het westen wegzakkende zon staat daar in gouden letters op de plank geschreven ‘ PLANTAGIE HET ECHTENER VEEN’. Als dit al zo gebeurd is, dan is de plank met het gouden opschrift ergens in de vergetelheid geraakt, vermolmd en tot de aarde weergekeerd, want de tijd van de grote plantage zou zeer kort zijn.

Vooraf

juli 27, 2009

Laatste, niet-inhoudelijke,  correcties: 14-10-2009

De openlegging van het zuid-Drentse hoogveenmoeras in de jaren twintig en dertig – het zenith van de Gouden Eeuw van de Republiek – is de tweede openlegging van een groot veengebied in de Landschap Drenthe binnen korte tijd. In de jaren 1612-14 werden in de Smildervenen de eerste verveningsaktiviteiten ontplooid. Bij beide openleggingen is Hollands kapitaal betrokken. Deze openlegging van de Drentse venen moet bezien worden in het licht van de expansie van met name de zeegewesten van de Republiek. Onderdeel hiervan is een sterk groeiende behoefte aan energie, waarvoor nieuwe bronnen gevonden moeten worden wegens houtgebrek en verdergaande beperkingen van de laagveenderij. Het grote zoeken naar grondstoffen richt zich nu ook op het achterland, waarbij met name via de Hollandse inbreng verbindingen ontstaan met de koloniale expansie overzee, terwijl de gehanteerde exploitatievormen overeenkomsten vertonen met die in de prille koloniën. Dit rechtvaardigt een koloniaal perspectief. 1

Regionale omstandigheden en ontwikkelingen spelen natuurlijk eveneens een rol. De Landschap Drenthe maakt officieel deel uit van de unie van zelfstandige staatjes die de Republiek vormen, maar wordt na de herovering in 1594 niet toegelaten tot de Staten-Generaal. Het gewest wordt weliswaar bondgenoot genoemd, maar in het Drentse wordt veelal een vazalstatus ervaren. Pogingen te worden toegelaten tot de Staten-Generaal falen met name doordat de belangrijkste gewesten geen stem wensen te gunnen aan een gewest dat financieel zo weinig bij te dragen heeft. Die bijdrage wordt daar nochtans als zware druk ervaren. Onder deze omstandigheden gaat de invloedrijkste groep binnen het omstreeks 1600 door de Staten-Generaal van de Republiek ingestelde bestuur van de Landschap op zoek naar inkomsten voor de landschapskas. Zo wordt geprobeerd via het propageren van particularisering van de gemene gronden een verhoging van de productiviteit van de landbouw te bewerkstelligen. Na scheiding van woeste gronden zouden ook verveningen en ontginningen volk aan kunnen trekken en op den duur geld in de lade kunnen brengen. Dat bestuurders en ambtenaren bij dit alles ook het belang van de eigen kas goed in het oog houden, wordt wel opgemerkt, maar is gebruikelijk onderdeel van de machtsverhoudingen. 2

Mijn onderzoek richt zich op de eerste fase in de openlegging en exploitatie van het Echtener Veen, tevens het begin van de ‘Voortijd’ van de kolonie Hoogeveen. Deze periode laat ik beginnen bij de overdracht van de venen van Steenbergen en Ten Arlo 20 december 1625 (Oude Stijl. = o.s.) en eindigen bij de start van een afzonderlijke compagnie door Hollandse participanten maart 1635. Centraal staan de jaren 1629-1633 waarin de aanloop naar, de vorming en de afloop van de Compagnie van de Echtense Veenen plaats vindt. Belangrijke conclusie is dan alvast dat voor inzicht in de gang van zaken meen ik de overeenkomst van 12 maart 1631 – waarin de verkoop van 4000 morgen (bunder/ha.) venen en ondergrond en de vorming van een compagnie wordt geregeld – cruciaal is. Daarmee wordt, zo lijkt op het eerste gezicht, qua omvang de grootste particuliere turfonderneming (veenderij) in de Republiek van die dagen (en waarschijnlijk ook daarbuiten) gestart. De door de participanten van de Compagnie ingebrachte venen beslaan zo’n 5000 morgen. De overeenkomst komt tot stand een decennium na de afloop van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), in de nadagen van wat de 80-jarige oorlog wordt genoemd, een oorlog die zich grotendeels in de landgewesten afspeelde. En voor de verdere ontwikkelingen in het gebied is de afloop van de Compagnie, afgerond in 1637, bepalend. 3

Nu zijn bij onderzoek naar de openlegging van deze Echtense Veenen diverse perspectieven mogelijk, waarbinnen de nadruk gelegd kan worden op uiteenlopende aspecten. Er kan gestreefd worden naar een zo volledig mogelijke beschrijving van de gang van zaken in die jaren (tot aan de beweegredenen van de betrokkenen toe). Een andere mogelijkheid is dat vooral gezocht wordt naar de oorsprong of verklaring van later meer of minder invloedrijke omstandigheden en ontwikkelingen. Deze benaderingen kunnen ook samenvallen. Hoewel in beide gevallen de kolonie en haar geschiedenis het uitgangspunt is, lijkt mij dan enige plaatsing van de openlegging in de context van de Drentse situatie en de ontwikkelingen binnen de Republiek nodig. Andersom zou ook vanuit die bredere context naar de openlegging gekeken worden. Als onderdeel van de geschiedenis van de Landschap Drenthe – bijvoorbeeld in vergelijking met de openlegging van de Smilder venen – als onderdeel van de expansie van de Republiek en de koloniale expansie van de zeegewesten; de Gouden Eeuw, of als onderdeel van de veenderijgeschiedenis. 4

Een grote beperking leveren in al deze gevallen de bronnen. Tot nu toe lijkt aan bronnen weinig meer beschikbaar dan een serie in akten vastgelegde overeenkomsten en juridische teksten over geschillen voortkomend uit deze overeenkomsten. Bijbehorend problemen zijn, wat ik wil noemen, de ‘wemeling van copia ’ (met name daar waar de originelen ontbreken) en, voor de dilettant,  het zeventiende eeuwse handschrift en (juridisch) jargon. Van deze copia zijn een aantal zeer belangrijke lange tijd ongebruikt gebleven (AE 890-91). Naast genoemde akten zijn er nog een paar bladzijden eveneens formele notulen en een paar kaarten bewaard gebleven. Last but not least zijn er nog drie kleine teksten met een meer subjectieve inslag die tot nu niet gebruikt zijn maar wel een belangrijk licht laten vallen op de eerst jaren van de kolonie. De aard van het grootste deel van dit bronnenmateriaal maakt alleen al het volgen van feitelijke ontwikkeling niet eenvoudig. Over achtergronden van gebeurtenissen en handelingen worden we niet of nauwelijks ingelicht en over motieven en intenties al helemaal niet. Bij die vragen zijn we aangewezen op zeer indirecte gegevens, reconstructies, interpretaties en gissingen. Benadrukt moet dus worden dat al met al erg weinig bewaard lijkt. Mogelijk kunnen nog meer bronnen aangeboord worden.  5

Natuurlijk was er eerder aandacht voor de openlegging van het Echtener Veen. Van de belangrijkste publicisten streefde Albert Ten Heuvel als enige naar volledigheid. Hij schreef in 1925, naar aanleiding van het z.g. 300-jarig bestaan van de kolonie, over het onderwerp een reeks artikelen in de Hoogeveensche Courant. Uitgaande van het beschikbare bronmateriaal trachtte hij onder meer de aanleg van de schipvaart te reconstrueren. Jaap Wattel richtte zich in 1954 met name op de papieren openlegging  (overeenkomsten 1625-26, 1630-31) en de daarin voor latere ontwikkelingen belangrijke punten. In het genealogisch verhaal van Cornelis Johannes de Vriese van 1971 vormen aspecten van de openlegging slechts een onderdeel. De drie auteurs kampten in ieder geval met nog een ander bronnenprobleem. Tot 1971 was een deel van de zojuist genoemde bronnen niet openbaar en tot 1980 ongeïnventariseerd en zo niet- of zeer beperkt toegankelijk voor historisch onderzoek. Deze ontoegankelijkheid vormt in feite een waterscheiding tussen het onderzoek voordien en er na.  Bij het vroege onderzoek is dan ook vooral gebruik gemaakt van Stukken en Documenten, een bundeling van copia die (waarschijnlijk) de familie van Echten rond 1730 liet drukken. Inzicht in de historie van het archief van de Generale- of Algemene Compagnie, de voortzetting van de Compagnie van de Echtense Veenen -later vooral Compagnie van de 5000 Morgen genoemd – en van de hier belangrijkste stukken, zou veel kunnen verhelderen. Maar helaas is deze geschiedenis overwegend onbekend en zijn er nog diverse vragen. Onder andere over de copia van 1644, de zojuist genoemde bundeling van 1730 en de plaatsen waar de stukken zich in de loop van de tijd bevonden hebben. 6

Net op de zojuist genoemde waterscheiding komen Jaap Wattel en Lammert Huizing met het boek Van Echtens Morgenland (ter gelegenheid van het z.g. 350-jarig bestaan van de kolonie in 1975) dat vooral een bundeling is van eerdere publicaties. Wattel gebruikt de op dat moment nieuw beschikbare bronnen niet, zijn verhaal wijkt niet echt af van dat uit 1954, wel zet hij de openlegging nu in een bredere context. Huizing heeft de nieuw toegankelijke stukken (deels) wel gezien, maar maakt er wanneer hij de openlegging als onderdeel van de geschiedenis van de compagnieën in de zeventiende eeuw behandelt, helaas verkeerd gebruik van. Zijn verhaal bevat zodoende veel fouten. En het is nogal invloedrijk geweest want nooit herschreven. Tot dan en dat zal ook zo blijven zijn alle onderzoekers dilettanten, dat wil zeggen – en het geldt ook voor mij – ze zijn niet specifiek deskundig op het onderzochte terrein. 7

Paul Brood (publicaties 1981) is weliswaar ook dilettant, maar mag gezien worden als specifiek deskundig wat betreft zeventiende eeuwse Drentse juridische zaken. Hij gebruikt het nieuwe materiaal en levert enkele nieuwe gezichtspunten. Maar hij behandelt aspecten van de openlegging en uiteindelijk wordt het bestaande beeld niet echt aangetast. Dat laatste geldt eveneens voor de bijdragen van Henk Steenbergen en Michiel Gerding (1981). Beiden geven in hun hoofdstukken een overzicht van de eerste openlegging en geven aan enkele nieuwe bronnen te hebben geraadpleegd. Steenbergen komt wel met nieuwe gezichtspunten en vragen, maar belangrijke onderdelen van het oude beeld  blijven aanwezig (rond 1625) en met name de oprichting en de ontwikkeling van de Compagnie wordt onjuist weergegeven. Dit gebeurt ook bij Gerding, terwijl in zijn verhaal geen nieuwe gezichtspunten te vinden zijn. Ook uit de behandeling van Hoogeveen als onderdeel van zijn grotere onderzoek naar de turfgraverij in Noord-Nederland (1995), blijkt niet dat Gerding de nieuw beschikbare bronnen over de openlegging goed heeft bekeken. Hij hanteert daar nog steeds het oude beeld. 8

(In bewerking alinea 8. Hier beknopt het oude of bestaande beeld. Zie Deel II-3. Dit oude of bestaande beeld….op basis van….) 9

De publicisten die zich voor 2000 het meest verregaand met de openlegging bezighielden en het beeld het meest bepaalden (Ten Heuvel, Wattel en Huizing) zijn dilettant of amateur. En hoewel ze goed op de hoogte zijn van de plaatselijke verhoudingen, zijn ze niet deskundig op het gebied van historisch onderzoek naar de zeventiende eeuw. Dit laatste geldt ook voor de Hoogeveense amateurhistoricus Albert Metselaar die de afgelopen jaren uitvoerige nieuw onderzoek naar de openlegging heeft gedaan en die als eerste het oude beeld bekritiseert. Die kritiek is vooral te vinden in website-teksten. De teksten zijn in bewerking en voorlopig. Metselaar maakt van de sinds 1981 geopende bronnen gebruik (maar vermeldt die niet altijd) en behandelt nieuwe en oude aspecten op een geheel eigen wijze. Hij laat vooral het licht vallen op het eigendom van de venen en de veenhandel rond de vorming van de Compagnie en met name op de rol ( de houding en de beweegredenen) van Roelof van Echten die hij scherp bekritiseerd (bij die bestrijding wordt meen ik onder meer teveel gedacht vanuit latere kennis). Het bestaande beeld van de openlegging en de plaats van Van Echten daarin acht hij een mythe. Volgens Metselaar zou Van Echten weinig goeds aan de openlegging hebben bijgedragen en recent oppert hij een bewuste mystificatie van de gebeurtenissen door generaties Van Echten (2006-2009). De aanleg van de infrastructuur en de veenderij in het veld komen bij hem niet echt aan de orde en ook blijven foutieve onderdelen van het oude beeld aanwezig. Zijn verdienste is dat hij nieuwe bronnen gebruikt, een ander licht laat vallen op oude bronnen en aanzet tot discussie en nieuw onderzoek. Tegelijkertijd creëert hij naar mijn mening vanuit een specifieke vooringenomenheid een nieuwe mythe en die is denk ik groter dan de mythe die hij meent te moeten bestrijden. 10

Voor het bestaande beeld is naar mijn mening de boven genoemde bronnenproblematiek in combinatie met een ontbrekende inzet van specifieke deskundigheid, de belangrijkste oorzaak van nogal wat omissies, onjuiste interpretaties en fouten, waarbij in de loop van de tijd auteurs veel klakkeloos van elkaar overnamen. De ontbeerde deskundigheid ligt onder andere op het terrein van de zeventiende eeuwse waterstaat en zeventiende eeuwse contracten. Ook is er denk ik in het algemeen te weinig aandacht voor het zeventiende eeuwse kader (bijvoorbeeld de financiële portefeuille van de Hollandse participanten) en er is nog niet goed onderzoek gedaan naar de activiteiten in het veld. Wat in ieder geval ontbreekt is een grondige en deskundige analyse van de overeenkomst van 12 maart 1631 die al sinds 1730 vrijelijk is in te zien! Tot nu is voornamelijk gekeken naar de betekenis van opzet en vorm van de Compagnie voor de lange termijn (bestuur en beheer van de vaart enz.), maar niet naar wat de overeenkomst zou kunnen vertellen over de gang van zaken in de jaren van ontstaan zelf. Nu is de overeenkomst van 12 maart, zo lijkt mij, een nogal merkwaardige figuur. Ontrafeling van de gang van zaken rond het ontstaan van de Compagnie en in de paar jaren daarna is onder andere daardoor niet eenvoudig. En ook de overige informatie over dit onderwerp blijkt verspreid, deels gekopieerd of niet-chronologisch overgeleverd. 11

In eerste instantie was mijn onderzoek bedoeld om een beter zicht te krijgen op de oorsprong van latere kolonie-structuren. Nog steeds eigenlijk. Maar de teksten van Metselaar brachten me gaandeweg op een ander pad. En wel naar een zo nauwkeurig en volledig mogelijke beschrijving van deze jaren, als onderdeel van de geschiedenis van de kolonie in de zeventiende eeuw. Uitgedaagd door zijn benadering en kritiek kwam ik uiteindelijk zelfs bij motieven en intenties van betrokkenen terecht, waarover geen informatie is overgeleverd en waarover alleen gespeculeerd kan worden met behulp van vaak heel indirecte gegevens. Dat hebben eerdere auteurs heel summier expliciet en hier en daar impliciet ook al gedaan. Metselaar gaat als eerste veel verder en komt, met name uitgaande van kennis en moraliteit uit later tijd, zelfs tot een veroordeling van Roelof van Echten. Dit lijkt me onjuist en historisch gezien discutabel. Ook voor een goede beoordeling van motieven, intenties en handelingen van betrokkenen lijkt het me nog te vroeg en wellicht is die uiteindelijk zelfs niet mogelijk. 12

Mijn onderzoek naar de eerste jaren van openlegging bestond met name uit een grondige lezing van en het nadenken over een aantal bekende en enkele nieuwe (o.a. AE 890-91) bronnen, de bestudering van de nog weinig gebruikte kaart van Stevin van Broeckhuysen van 1637 en het  vergelijken en combineren van veelal bekende gegevens tegen een zeventiende eeuwse achtergrond. Als de meeste andere onderzoekers eveneens dilettant, voelde ik me vaak een archeoloog, in de weer met scherven en splinters, waarbij elke nieuw gevonden scherf of het verleggen van een stukje een andere vorm of betekening van de pot mogelijk maakte. Het meeste materiaal is weerbarstig en het levert al meer dan 75 jaar hoofdbrekens en mislukte pogingen het hele verhaal van de oorsprong te vertellen, waarbij het eerder aangehaalde gebrek aan deskundigheid eveneens een rol speelt. Je zou ook kunnen zeggen dat er een vloek op rust. En hoewel dit bij alle geschiedschrijving het geval is, lijkt dit wel een heel goed voorbeeld van een discussie zonder eind te worden. 13

Mijn bevindingen presenteer ik hier in drie gedeelten. Leeg Land I bevat de hoofdtekst in vier hoofdstukken en die is grotendeels gebaseerd op en een samenvatting van de 19 afzonderlijke teksten aanwezig in Leeg Land II. In Leeg Land I- 1  De Setting schets ik enkele mijns inziens belangrijke achtergronden. In 2 Akten en Contracten en 3 Graven en Timmeren komt aan de orde wat ik met enige zekerheid, zoveel mogelijk feitelijk, met zo weinig mogelijk gissingen, weet over de openlegging op papier en in het veld. In 4 Boeren, Hollanders en een Jonker worden, vooral uitgaande van en voortbordurend op het giswerk in een aantal deelonderzoeken, de mogelijke achtergronden van belangrijke momenten in de openlegging behandeld (en gezocht naar verklaringen). Daarbij gaat het onder andere om mogelijke motieven en intenties van betrokkenen. Ik probeer dat te doen vanuit het gezichtspunt van de persoon die zover ik kon nagaan de initiator van de openlegging is geweest; jonker Roeloff van Egten. En vooral via het stellen van vragen; het betere giswerk. In  Afsluitend worden belangrijke nieuwe gezichtspunten en afwijkingen van het bestaande beeld en van de kritiek van Metselaar, nog eens bij elkaar gezet. Van de hoofdstukken in Leeg Land II sluiten 1, 2 3 en 4 (over bronnen en historiografie) vooral aan bij hetgeen hierboven in dit Vooraf aan de orde kwam. In de overige 15 hoofdstukken wordt verslag gedaan van gedetailleerd onderzoek ( o.a. reconstructies) , wordt gespeculeerd over bepaalde zaken en aangegeven waar nog onderzoek naar gedaan zou kunnen worden. In  Leeg Land I zijn de alinea’s van de hoofdstukken genummerd en worden aantekeningen gegeven per alinea zonder verdere noten in de tekst.  Leeg Land III  is een belangrijk onderdeel van het geheel. Hier zijn de kaarten te vinden waarnaar in de andere teksten verwezen wordt en aan de hand van de opeenvolgende kaarten kan het verhaal nog eens op en andere wijze gevolgd worden.14

Aantekeningen:

2. Zie Geschiedenis van Drenthe,  283-296 en 373-390. Over het elkaar ‘ bevederen’ zie  387, naar aanleiding van de uitval naar Hagewolt op de Landdag.

3. Voortijd is een persoonlijke betiteling van de zeventiende eeuw van de kolonie, zie ook Begeleidend. Voor uitleg van de titel van mijn onderzoek idem en Deel I-1,  alinea 5. Voor Oude Stijl zie Aantekeningen hoofdstuk 2-1. De hieronder verder genoemde data zijn oude stijl=Drentse tijd. Opmerkelijk is dat nagenoeg tegelijkertijd (1631-1632) in het zuidelijke Overijsselse deel van het veenmoeras de Luessener Compagnie van start ging met kapitaal uit Zwolle en Kampen. Las kortgeleden hierover. Interessant. Verbanden? Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwleusen.

5. Zie verder Deel II-1 en alinea 11 van dit Vooraf

6. Zie noot 5 en Deel II-3 en 4.

7. Idem

8. Ibidem

9. Ibidem.

10. Zie Deel II-4 en verder onder andere het Digitaal Geschiedenisboek Hoogeveen op de site van Museum 5000 Morgen.

12. Aan het grondig en kritisch bekijken van alle mij bekende bronnen kwam ik pas toe in een later stadium van mijn onderzoek. Dit leidde weer tot diverse late aanpassingen. Erger is dat ik enkele teksten nog steeds niet grondig heb kunnen bekijken vanwege een zeventiende eeuwse hand en dito formuleringen.

Illustraties

juli 27, 2009

Zicht op Nieuw-Amsterdam door Johannes Vingboons 1664. Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Vingboons

Foto van een deel van de kaart van Stevin van Broeckhuysen aanwezig in Museum de 5000 morgen in Hoogeveen.

castor_1079472_468_thumb-1

Huidig veenlandschap.

Nog te plaatsen:

Dwarsdoorsnede van de te Hoogersmilde gebouwde woningen (bron G.A. Coert, 1993, afb. 7).

Aanzicht van sluishoofd met gebinten bij Smilde (bron Idem, afb.4, zie Leeg Land II-…).

1. Leegh Landt. De koloniale setting

juli 27, 2009

Laatste, niet inhoudelijke, correcties: 14-10-2009

Het is 1630 en in het grensgebied van de Landschap Drenthe en Overijssel, tussen de stadjes Coevorden en Meppel en de Ommerschans, ligt een uitgestrekt veenmoeras waarvan in die tijd niemand de omvang kent, maar dat naar huidige berekeningen zeker 18.000 ha. groot moet zijn geweest. Het Drentse deel van deze venen wordt, bezien vanuit het gehucht Echten, wel aangeduid als de Echter Groote Veenen of het Echtener Veen. Het moeras is leeg, nog onaangeraakt, een  glooiende zomp, in lange eeuwen, in de opeenvolging van leven en dood van het waterveenmos, uit afgesloten kommen met regenwater omhoog geklommen en uitgedijd. Bovenop de vele etages afgestorven en geconserveerd veenmos groeien de nazaten die, via een ingenieus capillair systeem, water uit de diepte aanvoeren en als een spons vasthouden, waardoor de waterspiegel ver boven die van het grondwater ligt. Hoogveenmoeras, een metershoge plak veenmossen, veenkussens volgezogen met water, liggend op het zand. Zo zag kaartenmaker Pijnacker het ook en hij liet dit zien in de tekening van zijn in 1635 verschenen kaart van Drenthe. Het is de eerste keer dat een groot stuk van het moeras gedetailleerd op een kaart wordt weergegeven. 1

De venen zijn grotendeels onbegaanbaar, zeker in natte tijden en die zijn in deze gewesten eerder regel dan uitzondering. Het is dras moeras met enkele grote en vele kleine waterplassen, meerstallen genoemd. Een golvende vlakte met slechts hier en daar op een zandhoogte oud bos, jonge berken of kreupelhout. In het op de kaart weergegeven Drentse deel van de venen zijn het Groote Meer, het Riegmeer – een meerstal omgeven door rieg ofwel struikgewas – en een bosje dat Alberts Holtie genoemd wordt, ingetekend. Verder, langs de rand, de zandverhogingen de Braemberg en de Wolfs Kuilen en in het westen het oude moerasbos Kinholt.  Op een iets jongere en tot nu oudst bekende kaart van het gebied wordt een van de meertjes aangeduid als ‘meewen meerken om dat op dat eylandeken dat midden in dit meerken leyt ontalycke meeuwen eyren gevonden worden’. In droger tijd weiden de boeren op bepaalde plekken hun vee en langs de randen steken ze turf voor het huisvuur. Het laat de veenvlakte grotendeels onaangetast. 2

Maar dan neemt de transformatie van water naar vuur een aanvang, de Echter Groote Veenen worden gepenetreerd, hun maagdelijkheid gaat verloren. Zo’n drie decennia later is in het noordwesten van het uitgestrekte moerasgebied een deel van de veenplak verwijderd en als turven afgevoerd en is een waterstelsel aangelegd. Iemand, ik weet niet wie en waarom, heeft toen weer een kaart getekend en geloven we deze kaartmaker, dan staan er die jaren langs de kanaaltjes, verloren aan de rand van het hoogveen, zo’n 60 woningen van ‘coloniers’. Nog weer dertig jaren later, tegen het einde van de eeuw, blijkt de kolonie een boom-town en roken er wel 400 haardsteden. 3

Terug naar het begin. Ondanks of juist dankzij de staat van oorlog waarin de Republiek verkeert bruist in de zeegewesten de economie. En wanneer de oorlog dichterbij komt, speelt die zich met name af in de landgewesten. Aan de Noordzee stapelt het geld zich op. Hollandse en Zeeuwse schepen varen langs de kusten van nog maar zo kort geleden ontdekte werelddelen. Het is de tijd dat de kleine Republiek zich zowat de hele wereld toeeigent. Via de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC)en de West-Indische Compagnie (WIC), de twee grote ondernemingen waarin kapitaalkrachtige lieden en kleine gelukszoekers in de hoop op vette winsten geld investeren maar zo wel de risico’s spreiden en dus die winsten moeten delen. Groot nieuws is het wanneer Piet Hein in 1628 bij Cuba de Spaanse zilvervloot verovert, euforie in den lande en penetratie alom, want in alle windstreken schieten Hollandse vestigingen als paddestoelen uit de grond. 4

Op zoek zijn ze, de compagnieën, op zoek naar grondstoffen en handelswaren; naar zout, suiker, verfstoffen, tabak, cacao, huiden, specerijen, thee, zijde, noem maar op. ‘ Kolonisatie van vruchtbaere ende onbewoonde quartieren’, is maar een nevendoel, en daar komt bij dat ‘leegh landt’  vaak niet leeg is. Dat wordt bewoond door indianen, Javanen en Ambonezen, maar ook door Spanjaarden en Portugezen. Forten worden veroverd, factorijen en koloniën (volksplantingen) gesticht, plantages en perken aangelegd.  In het verre oosten kunnen in dit verband Batavia, Ambon, Banda (1630), Taiwan en Decima (1636) genoemd worden en in het noorden van Amerika  Nieuw-Nederland, met de kolonies Nieuw-Amsterdam (1625) en Rensselaerswijck (ca. 1630) Meer naar het zuiden tussen 1630 en 1634, Bonaire,  Sint-Maarten en Curacao en op de Wilde Kust een ander voorbeeld, Paramoeriboe. Weer verder naar het zuiden, in Brasil, waar eerst gevochten moet worden met Spanjaarden en Portugezen, Pernambuco (1629), San Salvador en Recife.  Langs de westkust van Afrika worden tenslotte forten en factorijen opgezet van Gambia tot Angola. 5

Wanneer de kolonisatie van Nieuw-Nederland niet wil lukken, maken de bewindhebbers van de WIC in 1628 binnen de Compagnie de weg vrij voor de stichting van zogenaamde  ‘particuliere patroonschappen’. Onderdeel van deze patronaatschappen is dat de patroon, meestal een belangrijk participant in de Compagnie en een grote investeerder, een stuk land in leen krijgt dat hij ten eigen bate mag exploiteren. Hij moet er dan wel voor zorgen dat dit patroonschap binnen drie jaar met tenminste vijftig kolonisten bevolkt is. Dan krijgt hij de jurisdictie over deze kolonisten en daarnaast belastingvoordelen. Een van de gegadigden in deze zaak is in 1629 Michael Pauw uit Amsterdam, zoon van de in de Oostzeehandel steenrijk geworden Reinier Pauw. Vader en zoon zijn lid van de Amsterdamse kooplieden- en regentenelite. Aan de Wilde Kust worden gelijksoortige concessies voor het stichten van kolonies aan particulieren uitgegeven. Daar komt in Suriname in de tweede helft van de eeuw de plantagecultuur opgang die gebruik maakt van zwarte slaven. 6

De opbloei van de economie van de Republiek door de handel in en de verwerking van grondstoffen brengt de jacht op nog een andere grondstof met zich mee. In Holland is vanwege de snel toenemende bedrijvigheid en het gebrek aan hout, brandstof in de vorm van turf hard nodig. En ook de steenbakkerijen langs de grote rivieren kunnen de lange steekturf bij de expanderende bouw goed gebruiken. En zo richten zich de ogen van Hollandse heertjes  die ‘ de winst tot poolster en de begeer­lijkheid tot kompas  hebben’, zich ook op nabij gelegen gewesten. Op de leegte van de veenmoe­rassen in de Landschap Drenthe, dat afgelegen, onbekend en onbemind gewest van kleine boeren­, onvolwaardig onderdeel van de Republiek. Zouden deze onbegaanbare vlakten niet gemakkelijk verworven kunnen worden om ze vervolgens open te leggen en te ontwateren zoals ook al in Friesland en Groningen gebeurde? En zouden dan de turven die vervolgens gestoken konden worden niet simpel over de aanwezige watertjes naar de Zuyder Zee en zo verder naar het westen gevaren kunnen worden?  7

De gedachte goud te verdienen met de leegte van het zompige en door menigeen gevreesde ver­raderlijke veen, komt niet alleen op bij Hollandse kooplieden die wel wat uit hun gespekte kas kunnen missen om met weinig risico te beleggen. Er zijn ook lokale heertjes met ideeën en soms zijn ze initiatiefnemer. Al in de beginjaren van het bestand met Spanje (1609-1621) zijn er Hollanders in de weer in het zuidoosten van Friesland en samen met plaatselijke vooraanstaanden zijn ze doende in de Smilder venen in het westen van de Landschap. Onder deze kooplieden bevinden zich eerdergenoemde Michael Pauw, latere directeur van de WIC en stichter van de kolonie Pavonia in Nieuw-Nederland en zijn broer Adriaan, rijk koopman, burgemeester van Amsterdam, later zeer invloedrijk in de hele Republiek als raadpensionaris van Holland en een verzamelaar van heerlijkheden – waaronder in 1634 de Heerlijkheid Hoogersmilde. In de Smildervenen zijn eveneens van de partij de niet onbemiddelde Berend Ketel, schulte van Diever en Gerardt Struuck, vooraanstaand Landschapsbestuurder. 8

Dan woont er op het versterkte ’Huys Echten’ , een havezate aan de noordwestelijke rand van het grote zuidelijke veenmoeras, de landjonker Roelof van Echten, geboren in 1592. Als hij een blauwe maandag filosofie in Leiden studeert (1611) wordt hij als Rudolphus ingeschreven en blijkbaar ook wel aangesproken als Roedolf. Zelf ondertekent hij in 1632 een persoonlijk schrijven met Roeloff van Egten.  Al op jonge leeftijd (1607) is hij in het bezit van de havezate en de bijbehorende goederen en rechten en hij is 21 wanneer hij traditiegetrouw beleend wordt met de tienden in onder andere het kerspel Suydtwolde en de buurschap Pesse (1614). In datzelfde jaar trouwt hij met Anna Bentinck, afkomstig uit de adellijke kring van Overijssel, dochter van Hendrick Bentinck, Drost van Salland.  9

De waarschijnlijk gematigd calvinistische Roeloff wordt al snel belangrijk in de Landschap, vooraanstaand Gedeputeerde Staat, leidinggevend in de kleine groep bestuurders die, als het nodig is, steun zoekt bij de Oranjes en hun omstanders, als tegenwicht tegen het machtige Holland. Hij is de voorman van de oranjefactie en de eigenerfde Albert Hagewolt uit Beilen en Gerhardt Struuck, schulte van Havelthe, rentmeester van Dikninge en tevens vervener in de Smilder venen, zijn z’n naaste medewerkers. In 1621 legt prins Maurits van Oranje als stadhouder van Drenthe de eed af in de handen van de dan 28-jarige Roeloff en een paar jaren later doet zijn opvolger Ernst Casimir hetzelfde. Een kaal plattelandsjonkertje, maar blijkbaar eentje met connecties en zo blijkt, aangesto­ken door het ondernemingsvuur van zijn tijd. 10

Want in de eerste helft van de jaren twintig is Roeloff, tussen zijn vele andere besognes door, betrokken bij enkele acties die lijken te wijzen op voorbereidingen richting exploitatie van de uitgestrekte venen ten oosten van zijn havezate. Zo goed en zo kwaad als dat gaat, omdat de maar voortwoekerende oorlogen af en toe dichtbij zijn. Hij verwerft en vergroot samen met enkele Overijsselse notabelen, waaronder familie, en met steun van de Drentse- en Overijsselse besturen, waarin hijzelf en zijn verwanten een voorname rol spelen, in 1621-22 de Groete Zijll, de sluis aan het Swarte Water. De sluis is de poort tussen de Zuyder Zee en de rivieren in de kop van Overijssel. Voor een eventuele onderneming in de Echtense venen moet namelijk allereerst de turfafvoer richting afzetmarkt Holland en grote rivieren zeker gesteld worden. En die afvoer kan niet anders dan per schip plaatsvinden dus is een bevaarbare waterverbinding tussen de venen en de Zuyder Zee een eerste vereiste. Voorafgaand aan deze activiteiten hebben buitenstaanders al de hand weten te leggen op een blok veen in de buurt van zijn havezathe. 11

Vervolgens richt Roeloff zich inderdaad op het grote zuid-Drentse hoogveenmoeras waar de turf uiteindelijk gegraven moet gaan worden. In enkele van de rondom het moeras liggende buurschappen is hij medegerechtigde in de marke en zo in de gemeenschappelijke venen. In ieder geval in de aan die van Echten grenzende marke van Steenbergen (Lubbinge) en Ten Arlo en in die van Pesse. Dat een deel van het moeras niet meer als gemene gronden in handen is van eigenerfde boeren, moet hem bekend zijn. Een groot oostelijk deel wordt als particulier bezit geclaimd door twee andere partijen. Hiervoor moet ik terug in de tijd, namelijk naar de 16e eeuw. 12

Eind april van het jaar 1551 werd namelijk de stok gelegd door de eigenerfden van de, noordoostelijk van de Echtense venen gelegen, buurschap Meppen voor de overdracht van ‘een stuk moerlandts of veenlandts’’ tussen ‘’Wulffscuelen’’ en de scheiding tussen Drenthe en Overijssel, tussen de marken van Suydtwolde en Lutthen, aan Reynoldt van Bourmania Drost van Coevorden en Drenthe en zijn vrouw. Het veen werd inclusief ondergronden geleverd. Bourmania was afkomstig uit Friesland en betrokken bij andere ondernemingen in de venen van de noordelijke gewesten. Voor zover mij nu bekend heeft de Drost een zeker bedrag aan de boeren betaald waar zij wel tevreden mee waren. In de bewaard gebleven papieren wordt gesproken over ‘de venen van Meppen’. In tegenstelling tot de andere ondernemingen van deze Burmania bleef de Meppense een papieren zaak. Op het moment dat jonker Roeloff zich op de venen ten oosten van zijn havezate richt, zijn deze zogenaamde venen van Meppen, via vererving en verkoop voor de helft in handen van de erven Bourmania en voor de andere helft in die van de erven Cornelis Trumper, voorheen schulte van Diever. 13

Intussen leidt het volk van het in bestuur en politiek van de Republiek stemloze, want financieel onbeduidende, boerengewest – als we de bekende bronnen uit de tijd zelf moeten geloven – zwaar onder de oorlog. Bij de op en neer gaande strijd om de macht in het zuiden en oosten zou Drenthe regelmatig geteisterd zijn door rondplunderende benden losgeslagen krijgsvolk. Tegelijkertijd moet het voorheen afvallige en heroverde vazalgewest meebetalen aan de oorlogslasten –  een zwaar drukkende belasting die geïnd wordt door het College van Drost en Gedeputeerden, het dagelijks bestuur van het gewest, in feite zetbaas van de bezettende Republiek, waarin de Drentse landadel de meeste invloed heeft – terwijl ook schatting betaald moet worden aan de Spanjaarden. Landadel en vooraanstaande eigenerfden worden zo gedwongen tot enige modernisering. Ze denken aan particularisering van de gemene gronden en trachten die te bevorderen. Zo zou via een meer intensieve landbouw op den duur meer geld in de landschapskas kunnen vloeien.  14

Het in de oorlogsjaren onder plundering en financiële uitpersing lijdende gewest zou eveneens regelmatig getroffen zijn door rampen als misoogsten en epidemieën. De Landschap raakt ontvolkt en de achterblijvers verarmen. Omstreeks 1620 zijn vele boerenbedrijfjes onbebouwd en onbeheerd en rapporteert de secretaris van het  Landschapsbestuur dat bij gebrek aan voedsel veel mensen omkomen en op diverse plaatsen daken van huizen en schuren, bij de schaarste aan hooi en ander geschikt veevoer, aangesproken moeten worden. Pas in de loop van 1628-1629 lijkt het tij te keren en dat doet het definitief in de jaren 1630-33. Ondanks gemelde rampspoed zou de toestand van  Drenthe na 1630 weer terug zijn bij normaal. Vraag is dan ook of dit rampzalige beeld niet vooral ontstaan is doordat Drentse geschiedschrijvers geen afstand konden doen van mooie, maar wel heel subjectieve citaten met een duidelijke bedoeling. 15

2. Akten en Contracten. De papieren openlegging

juli 27, 2009

Laatste niet inhoudelijke correcties: 16-10-2009

Achteraf bezien staat de Republiek er rond 1625 militair, economisch en bestuurlijk-politiek slecht voor. Ook In het zuiden van de Landschap was het blijkbaar nog niet  rustig, want jonker Roeloff vraagt begin december van genoemd jaar een sauvegarde (vrijgeleide) aan voor zijn huis. Toch treft hij voorbereidingen voor een aktie die de eerste zal zijn van een hele reeks activiteiten rond de venen in de komende decade. Hij richt zich op de dichtbij zijn havezate gelegen gehuchten Steenbergen, Ten Arlo en Lubbinge, alle drie bestaande uit slechts enkele oude erven in het kerspel Suydtwolde, samen de marke Steenbergen en Ten Arlo vormend. Het lijkt een logische stap. Oude bekenden, buren, medegewaardeelden in de buurmarke, hij is hun tiendheer en collator van de kerk van het kerspel. In die kerk is in 1623 de door hem voorgedragen ds. Bokenberg benoemd, waarvan we nog zullen horen. De gewaardeelden lijken aanspraak te maken op een groot westelijk deel van het Drentse veenmoeras (claim) (zie kaart 12 Leeg Land III). 1

Na samenspraak van deze eigenerfden wordt 20 december 1625 (o.s.) een overeenkomst ondertekend die in wezen een ruil inhoud. Van dat deel van het hoogveenmoeras – de partijen spreken in het contract van het Oosterveen –  dat de markegenoten menen te mogen beschouwen als territoor behorend bij hun erven, dragen ze een noordelijk stuk over aan medemarkegenoot Roeloff van Egten. Alleen het veen, de ondergrond blijft hun eigendom. En een ander deel van de claim, voor hen, zo lijkt het, het meest gunstig gelegen, reserveren ze voor de gezamenlijkheid (Leeg Land III, kaart 13). Ze geven niet zo maar wat weg. In ruil voor het veen belooft medegewaardeelde Roeloff te zorgen voor de aanleg en het onderhoud van een schipvaart waar ze zelf waarschijnlijk minder mogelijkheden voor hebben en waar ze eeuwig gebruik van mogen maken. Er zal wel lastgeld betaald moeten worden , maar gereduceerd,  ‘van elcke last swarte turff ses stuyver ende van elcke last grauwe turff vijer stuyver’.  Roelof betaalt voor het veen dus geen geld. Het is een deal met gesloten beurzen. Ruil is de kern en die wordt omkleed met bijkomende afspraken. Onder andere over afschaffing van de tienden op de turf en het tracé van een grift. Naast het veen in het Oosterveen wordt ook nog veen in het kleine Westerveen getransporteerd. Dit is gelegen ten westen van de buurschappen, aan het riviertje vlakbij Echten en het gaat om ongeveer 34 morgen. Van dit veengebied is en deel al eerder verkocht aan een groep Van Buyren uit Meppel . Met het veen dat de eigenerfden in handen houden hebben ze andere plannen. 2

De oostelijke -, de zuidelijke – en voor een deel ook de noordelijke begrenzing van de in het Oosterveen aan jonker Roelof overgedragen veenplak, is vaag en zou betwist kunnen worden. Zo blijft ook de omvang van het gebied onduidelijk. De boeren laten eventuele strijd om de grenzen graag over aan de nieuwe eigenaar. De totale claim van de eigenerfden van de drie gehuchten lijkt achteraf, kijkend naar de situering van de omliggende dorpen, qua omvang en ligging nogal buiten verhouding en daardoor merkwaardig, maar moet teruggaan op oude verhoudingen. Opvallend is eveneens de schuin lopende westgrens van de overgedragen veenplak, die de toegang tot de venen van de jonker in het uiterste noordwesten wel heel benauwd lijkt te maken. Hebben betrokkenen een idee van de omvang van het veengebied? Denken zij aan 1000, 1500 of 2000 morgen (ha.), al naar gelang de uitgestrektheid in oostelijke richting? De door de boeren voor henzelf gereserveerde venen  beslaan op dat moment meen ik zeker de helft van hun totale claim. Over kolonisatie wordt in het contract niet gerept. Het is ondertekend door jonker Roelof van Echten, Struuck, Johannes Boeckenbergh  en Harmen Ten Heuvel. Waarom precies Struuck en de dominee ondertekenen,  blijft een vraag. Struuck is schulte van Havelthe, grootvervener, participant in de Smilder venen, compaan van Van Echten in bestuur en politiek van de Landschap, maar ook ingetrouwd in de familie Steenbergen en de dominee treedt mogelijk op ‘als volmaght van de Eygenaren’.  In ieder geval zal snel blijken dat de twee zeer betrokken zijn . Hoe het spel al met al ook gespeeld is, het is de oorsprong van een langdurige tweedeling in de venen. 3

Nagenoeg direct, 30 maart 1626, geeft het Drents bestuur haar fiat aan de transactie en maakt deze – met alle aanklevende onduidelijkheden en gebreken – publiekrechtelijk. Ridderschap en Eigenerfden gaan verder, want het contract en een aantal andere punten en artikelen worden geoctroijeerd. En het is niet niks wat de Staten van Drenthe – het octrooi vertoont duidelijke overeenkomsten met dat voor de Smildervenen – toekennen aan een van haar voormannen. Zo verlenen ze volledige vrijstelling van nagenoeg alle belastingen: Ontheffing ‘ van alle impositien (accijnzen FN), lasten ende swaericheiden…voor alle die veenen, soe door desen nu nieus te maekenen schipsvaert sullen werden affgebracht, ende voor het arbeijtsvolck…(curs. FN). Hier is ook voor het eerst sprake van kolonisatie. De kolonisten die zich in de venen en de marke Echten zouden vestigen worden voor een lange periode vrijgesteld van belastingen op het gemaal, bezaaide landen, zout, zeep, wijn, brandewijn, azijn, varkens, ossen, schapen (waar de scheer overgegaan is), wegen, wol, goud – en andere lakens, tabak en uitgevoerde turf, bestiaal(slachten), hoorngeld, verponding (grond), hoofdgeld(personen) en haardstedengeld (huizen). Bier van buiten Landschap vormt de enige uitzondering. Alles bij elkaar zou dit een potentiële kolonist vergeleken met overig Drenthe mogelijk zo’n 10-20 guldens per jaar schelen. 4

En passant worden aan Roeloff, hij zit er zelf natuurlijk steeds bij, heerlijke rechten verleend. Deze heerlijke rechten, die Roeloff en zijn nakomelingen zo gemakkelijk erfelijk en voor eeuwig worden toegeworpen, bestaan uit het mogen uitvaardigen en laten naleven van regels (ordonnantiën) in het via de schipvaart te ontsluiten gebied. Ze gelden enkel voor veenluiden en zover het de venen aangaat, maar ook voor de veenluiden in de marke van Echten. Verder wordt de lagere rechtspraak over deze personen aan hem overgedragen, dus in civiele – en niet die in criminele zaken. De door Roeloff verworven venen worden hiermee een Heerlijkheid of Jurisdictie en de jonker Heer van die venen. Heer van het Echtener Veen dus, maar in feite nog zonder ondergrond, een drijvende heerlijkheid, Heer van de veenplak. Regel wordt dat de jonkers zich ook Heer van Echten noemen. Anders dan in de latere heerlijkheid Hoogersmilde kan de jonker dus geen galg laten plaatsen op het terrein van zijn turfonderneming. Maar Roeloff is de machtige Adriaan Pauw wel een stap voor. De omlijning van het gebied en de personen waarvoor de rechten en vrijheden gelden is moeizaam geformuleerd en multi-interpretabel en zal dan ook aanleiding zijn voor allerlei conflict. 5

Bij de verlening gaat de meeste aandacht echter uit naar de schipvaart. In het contract met de boeren heeft de jonker zich verplicht deze aan te leggen. Dat het niet alleen gaat over de aanleg op het grondgebied van Suydtwolde mag wel worden aangenomen. De Drentse overheid bekrachtigd nu deze verplichting en verleent Van Egten het alleenrecht op de aanleg van een schipvaart met sluizen voor de afvoer van de turf over Drents grondgebied, hier de enige afvoerweg voor de turf uit het hele veencomplex. Weliswaar wordt aan mogelijke gedupeerden enige bescherming geboden, maar vooral worden, denk ik, toch de vrijheden en belangen van de jonker veilig gesteld. En hoewel de overeenkomst van 1625 niet direct naar Drentse gewoonte en landrecht met kerkesprake en stoklegging lijkt te zijn afgehandeld, is ze nu via de ratificatie en octroijering door het Drents bestuur wel openbaar gemaakt en bekrachtigd. Al met al lijkt de hele gang van zaken in deze jaren nogal op die bij het verlenen van de patroonschappen in Nieuw-Nederland en aan de Wilde Kust. Is het een in de Republiek en de Nederlanden gebruikelijke behandeling die al veel langer bestond? Of krijgt die hier een typisch zeventiende eeuws en zo koloniaal tintje? Een verschil met de patroonschappen in de kolonie Nieuw-Nederland is overigens wel dat de verplichting om er op termijn een bepaald aantal kolonisten te vestigen hier niet is opgenomen.6

Kort nadat de jonker de hand legt op een deel van het veenmoeras, gloort er in Drenthe hoop op betere tijden, want het is nog steeds oorlog. In het oosten van de Republiek veroveren Staatse troepen enkele steden (Oldenzaal en Grollo 1625-27), waarmee de terreur op het platteland verminderd. Toch is voor de hele Republiek in 1628 de militaire situatie nog dreigend. Roeloff lijkt zich dan te richten op de aanleg van de afvoerweg voor de turf, op het bevaarbaar maken van de beneden- en middenloop van het diepje dat van de venen richting Meppel stroomt. Mede of in eerste instantie om het Westerveen open te leggen. Daarnaast wordt de vaart door Meppel verbeterd, waartegen de Meppelaars zich eerst nog verzetten. Al deze werkzaamheden trekken blijkbaar de aandacht van de superintendenten van de Spaanse koning in Oldenzaal, die menen dat de graverij niet het particuliere werk van Roeloff zou zijn, maar van de staten om des konings inkomsten van Drenthe te beletten. Zij eisen stopzetting. 7

Maar het werk gaat door. En als het in de loop van 1627 gebeurd is, zou je zeggen dat het nieuwbakken heertje qua waterverbinding alleen nog het graven van het laatste deel tussen Houten Wambas en het Oosterveen rest (Leeg Land III, kaarten 12 en 13). Maar de werkzaamheden lijken daar een paar jaar stil te liggen. En we horen niets. Het kan onder andere te maken hebben gehad met onenigheid tussen betrokkenen over de loop van het tracé. Roeloff is in ieder geval opnieuw met de boeren van Suydtwolde om de tafel geweest. Want eind 1630 wordt de aankoop van de ondergrond van het in 1625 overgedragen veen in een overeenkomst vastgelegd. De jonker hoeft er niet zoveel geld voor te leveren; 6500 Caroliguldens en die behoeven ook niet direct op tafel gebracht. Betalen moet hij als hij de eerste gelden uit de verkoop van zijn venen binnen heeft (‘ Deze summa te betalen uyt de eerste coopschatspenningen, die mijn Heer van Echten sal comen te beuren van syne als nogh te vercopen veenen ’ ). Voor het eerst blijkt nu dat de jonker niet (meer) van plan is de veenderij alleen aan te pakken.  De uiteindelijke betaling zal overigens pas veel later plaatsvinden. En de ondergrond van het Westerveen leveren de markegenoten niet.

Uit de in het eerste artikel van het contract gehanteerde formulering valt meen ik af te lezen dat de boeren de loop van het tracé van een grift, het laatste deel van de schipvaart, hebben bepaald. Overeengekomen wordt dat het eerste stuk van deze grift gegraven zal worden door de scheidsloot tussen de marken van Echten en Steenbergen-Ten Arlo ( bij  uitspraak van de Etstoel van 1629 vastgestelde grens bij een conflict tussen de beide marken) en het tweede deel na Echten ‘hoger op’ over het grondgebied van Suydtwolde. Het vonnis van de Loffelijke Etstoel dat wordt aangehaald, lijkt in eerste instantie met de problemen over het tracé te maken te hebben, maar dat is gezichtsbedrog. Uitspraak werd namelijk gedaan in een oudere kwestie. 8

Tijdens de laatste jaren van stilte moet zijn nagedacht over een plan voor een grootschalige openlegging van het Echtener Veen en moeten vervolgens bij dit plan behorende activiteiten zijn ontplooid.  Zoals overleg over de constructie van een samenwerkingsverband met kapitaal van buiten, onderzoek naar en het ronselen van potentiële deelnemers door veenmakelaars en onderhandelingen over de aankoop van de zogenaamde Burmaniavenen (venen van Meppen). 1630 is een jaar van allerlei activiteit achter de schermen.  Maar in datzelfde jaar wordt  ook nog een Smilder participant bij Diever door een groepje soldaten uit Lingen gegijzeld. En voor de landbouw zijn het, moeten we de kronieken geloven, weer schrale en onvruchtbare jaren. Geschreven wordt dat er weinig te eten is en dat veel Drenten met de korf aan de arm langs de deuren gaan – als gezegd, recent wordt hier blijkbaar anders over gedacht. Hoewel in de loop van 1630 de vesting Lingen door Frederik Hendrik wordt ontruimd en de Spaanse troepen naar de Zuidelijke Nederlanden afmarcheren, waarmee de Landschap grotendeel lijkt bevrijd van rondtrekkende soldatenbenden en schattingen, blijft het gezag van de koning tot 1633 bestaan. 9

Toch lijken in een innig samengaan van particulier initiatief en overheidssteun de eerste grote obstakels uit de weg geruimd. Roeloff heeft de afvoerweg – ondanks verzet van de schippers van Meppel en aangelanden van het riviertje – en een deel van de venen ten oosten van zijn havezathe min of meer onder controle. Eind 1630 kan hij zich eigenaar en Heer noemen van zo’n 1500, misschien 2000, morgen venen en ondergronden, hoewel tegen de overdracht nog scherp wordt geprotesteerd door de Heer van Ruinen. Want een onderdeel van de innige samenwerking, waar dan ook de markegenoten aan deelnemen, is  het door het nieuwe regiem terzijde schuiven van oude feodale rechten van de buurman van nu Heer van Echten op het afgestane en geoctroijeerde gebied (de 7 hoeven). 10

Na de ondertekening van het contract over de ondergrond wordt gedurende de eerste helft van het jaar 1631 in snel tempo een aantal transacties rond de venen afgerond. Verkopen waarover al eerder moet zijn onderhandeld. In een bewaard gebleven tekst wordt verwezen naar een koopbrief daterende 25 februari 1631 waarin Roeloff voor 2300 caroliguldens en 4 rozenobels de helft van de ongescheiden Burmaniavenen van de erven Burmania koopt. Van de 22ste van dezelfde maand dateert trouwens ook de vergunning van het Drents bestuur aan jonker Roeloff om een tapperij op het geoctrooieerde veen te vestigen. Enkele weken later, de 12de maart 1631 (o.s.), wordt in het Fort Zwartesluys door Roeloff enerzijds en Christoffel van Nijenhove, Johan van der Meer, dominee Bokenberg van Suydtwolde en Wouter Arents Vreughden anderzijds een overeenkomst ondertekend. Het is de belangrijkste overeenkomst van deze periode en ze is tweeledig van opzet. In de eerste plaats wordt de verkoop van 4000 morgen door de jonker aan een groep kopers geregeld. De overige onderdelen van de overeenkomst behandelen met name de vorming van ‘een Compagnie van vyf Duysent Morgen’ wat overigens niet de naam van de compagnie is, die wordt deze jaren hier en daar wel Compagnie van de Echtense Veenen genoemd. De onderneming die deze dag wordt begonnen is op dat moment trouwens nog maar aan een kleine groep ingewijden bekend. 11

Van de 4000 morgen worden er 900 verkocht aan een zevental tussenpersonen (makelaars) waarvoor Van Echten kwitantie zal afgeven zonder dat zij geld hoeven te leveren. De 900 morgen worden hen dus geschonken voor geleverde en mogelijk nog te leveren moeiten en inspanningen. Over blijven 3100 morgen die Roeloff werkelijk geld moeten gaan opbrengen en in de overeenkomst wordt de makelaars opgedragen hiervoor zo spoedig mogelijk betrouwbare en solide kopers te zoeken en te zorgen dat de jonker zijn penningen krijgt. In mei moet de helft van het voor de aanleg van grift en verlaten door de participanten op te brengen bedrag (8000 gulden) aan hem overhandigd worden. Dit alles geregeld in een aanhangend contract. Al op 29 maart 1631 tekenen 31 kopers voor de 4000 morgen en ze moeten wel enige tijd voor het sluiten van de overeenkomst van 12 maart een aankoop toegezegd hebben. Ze staan die dag als de cum suis als het ware reeds in de coulissen en mogelijk waren een aantal ook werkelijk aanwezig. Het zijn 27 heertjes uit Holland; 13 uit Amsterdam deelnemend met 1500 morgen en 14 uit Leiden en omgeving met 2100 morgen. Amsterdam koopt in feite 1300 morgen en Leiden 1400. Aan Leidse makelaars en ‘vrunden’ schenkt Roeloff uiteindelijk 700 morgen veen, aan een Amsterdamse makelaar 100 en aan dominee Bokenberg eveneens 100. Verder tekenen drie Bentincks, Roeloffs schoonfamilie, voor 300 morgen. 12

De 4000 morgen worden door Roeloff in feite voorafgaand aan de vorming van de compagnie verkocht en dit is en blijft zo een zaak tussen hem en de kopers. Verdere condities rond de verkoop komen vooraanstaand in het contract aan bod. De kopers (niet de participanten!) proberen daarin de levering van de aangekochte venen veilig te stellen en er is sprake van opmeting en kaveling en zo lijkt het er op dat in ieder geval een verdeling en wellicht afzonderlijke vervening van meet af een optie is. De kopers moeten in vijf termijnen betalen, de eerste termijn als de nieuwe vaart klaar is. In verdere artikelen worden de rechten en vrijheden van de kopers en hun Coloniers (art.13) geregeld onder andere dat de kolonisten die zich op het veen vestigen zijn vrijgesteld van alle belastingen behalve bier van buiten het gewest. De 4000 morgen worden gevonden in een gebied waarvan de grenzen direct al in art.1 vermeld worden. De aankoop van de helft van de Meppense venen is hier meegenomen, de oostelijke grenzen zweven in een vrije leegte, want deze venen zijn nog ongescheiden en de aanpak is waarschijnlijk in de (verre) toekomst gedacht. Over hoeveel morgens de jonker werkelijk kon beschikken op het moment van de verkoop van de 4000 morgen is een vraag die al snel gesteld zal worden en nog lang zal naklinken. 13

De rest van het contract handelt grotendeels over de Compagnie. Die wordt gevormd door de kopers van de 4000 morgen (40 parten) en Van Echten die 1000 morgen (10 parten) meebrengt. De ingebrachte venen vormen als het ware een onderpand – geld investeren in een openlegging zonder belangen te hebben in betreffend gebied lijkt niet goed mogelijk. Ze beslaan dus een gebied van 5000 morgen, volgens contract gelegen binnen juist genoemde grenzen. In dit geval zijn de aandelen of parten weliswaar nog ongescheiden, maar in feite concrete stukken, porties of kavels, veen en ondergrond. Volgens het contract kunnen kopers in principe deelnemen vanaf 25 morgen a 50 caroligulden per morgen. Maar de zojuist genoemde kopers hebben allen 100 morgen of meer en zo bestaat de Compagnie op dat moment uit 50 parten van 100 morgen. De Compagnie neemt de verplichting tot aanleg van een schipvaart van Roeloff van Echten over, conform de overeenkomst tussen hem en de boeren van Suydtwolde. Daarboven zal ze ook zorg dragen voor de aanleg van de in eerste aanleg benodigde waterwerken en het onderhoud daarvan. De participanten moeten hiervoor in eerste instantie 4 gulden per morgen opbrengen, ‘ …tot de opmakinge van de Vaarten, Verlaten, en aankleven van dien..’. Waarschijnlijk gaat men er van uit dat als elke morgen dit bedrag opbrengt er de grift met bijbehorende kunstwerken voor kan worden aangelegd (20.000 gulden). Uittreden kan pas wanneer de grift gereed is. Uit dit contractsartikel blijkt dat de grift maart 1631 in ieder geval nog niet (af)gegraven is. In feite wordt een belangrijk deel van het aan de jonker verleende octrooi aan de Compagnie overgedragen. 14

Maar Roeloff van Egten houdt de teugels in handen. Bestuur en beheer van de waterwerken en de 5000 morgen komen aan een vijfkoppige directie, waarvan een Van Echten altijd hoofddirecteur zal zijn. Participanten met 100 morgen veen of meer worden hoofdparticipant en kunnen lid worden van de directie. De hoofddirecteur heeft het alleenrecht over de schouw van de vaart, hij kan regels stellen en optreden tegen overtreders van deze regels. Hij krijgt de helft van het sluisgeld, de andere helft is voor de Compagnie. Wat betreft het afvaartsgeld geldt voor de kopers-participanten hetzelfde gereduceerde tarief als voor de boeren van Suydtwolde, namelijk 4 en 6 stuivers. De opbrengst is bestemd voor het onderhoud van de vaart. De inhoud van het contract wijst er tenslotte op dat de Compagnie in eerste instantie bedoeld is om de uiteindelijke ontsluiting van het zuid-Drentse veenmoeras via een kanaal met sluizen aan te pakken en te bekostigen en daarna die schipvaart te beheren. Dat de participanten van plan zijn gezamenlijk te gaan vervenen, blijkt niet uit de overeenkomst. Als ze al niet aan speculatie of beleggen denken, dan eerder aan het afzonderlijk vervenen van eigen kavels. Verkaveling (hier afbakening van stukken veen waarna die al dan niet bloksgewijs of groepsgewijs verdeeld of verloot worden) komt in het contract een aantal keren aan de orde! Wat overigens een zekere vorm van gezamenlijkheid niet uitsluit, maar daarover wordt in het contract niets vermeld  15.

Diezelfde dag heeft de jonker nog een mooi gebaar in petto. Hij tovert 100 morgen veen extra uit de hoge hoed. Uit zijn andere venen en ze komen bovenop de 5000 morgen en vormen zo een 51e part, waarmee de Compagnie in feite een compagnie met 5100 morgen veen wordt. De vruchten en opbrengsten van deze 100 morgen zullen ten eeuwigen dage ‘tot eeren Godes’ zijn, ‘tot opbouwinge van een kerke, schoole en tot behouf van den armen’ en de zeggenschap hierover zal toekomen aan de ‘Heere van Echten ende sijne successeuren’.  Evenals de verlening van de jurisdictie zal deze zaakl nog tot allerlei conflicten aanleiding  geven. 16

De overeenkomst van 12 maart 1631, een naar mijn mening uitzonderlijke constructie die cruciaal zal blijken te zijn voor de verdere ontwikkelingen in het gebied, is niet makkelijk te doorgronden en heeft al veel hoofdbrekens geleverd. Om allerlei redenen, onder andere vanwege de onduidelijke verweving van verkoop van venen en oprichting van een compagnie,  is er tot nu niet uit gelezen wat er toch duidelijk in te lezen valt en wel dat wanneer jonker Roeloff voor 4000 morgen veen geld zou hebben ontvangen dit hem f. 200.000 zou hebben opgeleverd en hij daarmee toegetreden zou zijn tot de kleine elite van rijkste personen in de Republiek. De 3100 morgen waarvoor hij in opzet werkelijk geld zou gaan ontvangen zouden f. 155.000 in de lade moeten brengen. Nog steeds een voor die dagen gigantisch bedrag – want voor f. 100.000 kon een Oost-Indiëvaarder gebouwd, uitgerust, bemand en beladen worden, terwijl dichterbij blijvend de bouw van een woning en een groot huis in het veen respectievelijk f.100 en f. 300 kostte. Dus als ik de overeenkomst goed lees en in de context plaats, dan moet het grote plan en het eerste doel van jonker Roeloff zijn geweest het slaan van een financiële slag waarmee hij in een klap kale jonker af zou zijn en de zekerstelling van de leiding van de Van Echtens in de gevormde compagnie en de venen. De gevonden weg naar dit doel is opgenomen in het contract en omgekeerd is dat er ook uit af te lezen.  Ik meen dat dit plan de overeenkomst ingenieus en uniek, maar tegelijk onhelder en wrakkig maakte. Natuurlijk zou de financiering van de grift met toebehoren bij uitvoering van het plan ook rond zijn, maar dat stond zeker niet voorop. 17

De kopers hebben lijkt mij als ze intekenen geen zicht op de werkelijke omvang van de venen en ook weinig of geen notie van de ligging van het gebied waar ze geld in steken. Er is op dat moment zover ik weet nog nooit een kaart in druk verschenen waarop het moeras is ingetekend en hebben ze al kaarten van het Landschap Drenthia bekeken, dan gaven die even veel leegte te zien als die van de binnenlanden van de Amerika’s of Afrika (zie Leeg land III, kaarten 1 en 2). Ik denk dat van de bij het moeras en de veentransacties betrokkenen niemand een, naar huidige kennis, juiste voorstelling kan hebben gehad van de omvang van het gehele moeras of van de gekochte of verkochte delen. En de Compagnie functioneert nog lang niet. In ieder geval worden een aantal zaken door de jonker afgehandeld. Zo wordt er aan de grift gegraven, vindt 17 mei 1631 de in Drenthe gebruikelijke stoklegging plaats voor de aankoop van de helft van de ongescheiden Burmaniavenen en koopt Roeloff 28 mei 1631 nog een stuk veen van de boeren van Ten Arlo, Lubbinge en Steenbergen en wel de noordelijke top van de door hen voor eigen doeleinden gereserveerde venen (Leeg Land III, kaarten 7-13-14). De afhandeling van transacties gaat door, want weer een paar weken later, 20 juni 1631, wordt de andere helft van de ongescheiden venen van Burmania door de erven Trumper  aan drie Amsterdammers voor 17.000 carolieguldens verkocht. Bewaard gebleven gegevens lijken er op te wijzen dat hier eveneens een compagnie wordt gevormd.  In ieder geval twee van de kopers lijken bekenden van de jonker, een van hen, Cornelis Martsen Pronck, is zelfs participant in de Echtense Compagnie. De hele gang van zaken bevreemd nogal. Er lijkt een spel gaande, maar wat voor spel? Wie zijn er betrokken en met welke bedoelingen? 18

Dan nemen de landmeters en kaartenmakers Claes en La Haye het veenmoeras in ogen­schouw. Na hun gereken en geteken op grond van, denk ik, vooral de vage vermeldingen in de contracten (en mogelijk mondelinge opdrachten), waarin naar de begrenzing van de gemeenschappelijke gronden van de boerendorpen­ die zich verlie­zen in het veen, maar een slag wordt geslagen, komt er een in onze ogen merkwaardige kaart – maar in de overeenkomst van 12 maart 1631 een  ‘perfecte Kaarte’ genoemd – voor de dag met het zuiden boven en het noorden onder en in het midden een lijnen­stelsel dat 5000 morgen veenmoeras zou moeten begrenzen. Opmerkelijk uitkomst is de intekening van de Menne (gemene) Grifte waarvan naar mijn mening nog maar een deel klaar is. Met name de hoek van zo’n 90 graden waarmee de grift in noordelijke richting knikt, springt in het oog en moet nog projectie zijn. De aankoop van Meppens veen is in de berekeningen meegenomen  (Leeg Land III, kaarten 7-8). 19

Zeer waarschijnlijk is de kaart voor 28 juli 1631 klaar. Die dag vindt de 12 maart overeengekomen stoklegging plaats, waarmee de 4000 morgen venen aan de kopers wordt overgedragen. De in de akte beschreven grenzen zijn nauwkeurig naar de op de ‘perfecte Kaarte’ getrokken lijnen. Opvallend is dat een geheel schuin van het noordwesten naar het zuidoosten verlopende westgrens wordt getekend en vermeld, waaruit op te maken zou zijn dat de driehoek veen die in mei door de jonker werd aangekocht niet als compagniesgebied wordt beschouwd (Leeg Land III, kaarten 7-13-14). Het gedeelte van Alberts Holtie richting Riegmeer en verder naar het zuiden laat zien dat de hier getrokken westelijke grens van de venen van Meppen blijkbaar door de boeren van Steenbergen, Ten Arlo en Lubbinge als oostelijke begrenzing van hun venen is geaccepteerd. Ze zijn, evenals vertegenwoordigers van Meppen, bij de stoklegging aanwezig (wat tevens een bevestiging van de overdracht van 1625 lijkt in te houden). En het lijkt er eveneens op dat nu al, enkele maanden na de oprichting van de Compagnie, een aantal participanten er over denkt om uit de onderneming te stappen. In ieder geval wordt bij de stoklegging het artikel waarin was opgenomen dat eerst de grift klaar moest zijn voordat kon worden uitgetreden, geamendeerd. Er lijkt onrust te zijn ontstaan. 20

Intussen functioneert de Compagnie van de Echtense Veenen nog steeds niet. Uit de periode augustus 1631- mei 1632 zijn geen notulen of verslagen van vergaderingen en geen akten bewaard gebleven. Blijkbaar wordt 21 mei 1632 (n.s.) een directie gevormd, maar daar vernemen we pas van in september van dat jaar. Wel wordt er aan de grift tussen Houten Wambuis en het veen gegraven. En er zijn een paar brieven van betrokkenen, waaruit valt op te maken dat er achter de schermen, met name in Holland, wel degelijk wat aan de hand is. De eerste, van 27 december 1631 (n.s.), is al langer bekend. Hierin berichten alle Amsterdamse participanten aan Van Egten (sic!) uit de Compagnie te willen vertrekken en hun betaalde penningen terug te willen  ‘…om seckere redenen ende Consideratien ongeraden vindende te blijven…’ . Over de achtergronden vinden we iets in een conceptbrief van de jonker van 12 januari 1632 gericht aan Uedele X, waarschijnlijk een vooraanstaand participant en vriend (mogelijk Christoffel Van Nijenhove). Het epistel wordt tot nu in geen enkele publicatie vermeld, terwijl het ondanks de subjectiviteit toch heel belangrijke informatie lijkt te bevatten over wat er nu eigenlijk aan de hand is. Het is een bij tijd en wijle woedend verweer tegen allerhande wantrouwen en aantijgingen in en uit Hollandse kringen. 21

Als ik de brief van de jonker goed lees, dan wordt volgens hem door een aantal Amsterdammers een ‘sinister’ spel rond de venen gespeeld. De groep die 20 juni 1631 een deel van de Burmaniavenen kocht (volgens Van Echten slechts 3/8 part, volgens henzelf 3600 morgen) heeft hem al diverse (sic !) keren benaderd met voorstellen. Het laatste voorstel dat hem rond de jaarwisseling via makelaar A.W. Vreughden bereikt, is de ruil van de gepretendeerde 3600 morgen tegen de 1000 of 1200 morgen die vacant zijn na het uittreden van 12 Amsterdamse participanten (inclusief Martsen). Roeloff zegt niet op het voorstel te willen ingaan, eigenlijk helemaal geen veen meer te willen verkopen aan Hollanders en waarschijnlijk vooreerst de parten aan zich te willen houden. Hij schrijft ook weinig op te hebben met (een deel van) de overblijvende participanten. Ze hebben de overeengekomen bedragen voor de aanleg van de vaart met verlaten nog niet geleverd en willen eigenlijk hem in eerste instantie voor de kosten laten opdraaien. Opmerkelijk is dat juist de Amsterdammers voor die aanleg al wel geld overgemaakt lijken te hebben, want zij vragen 27 december om terugbetaling van de reeds geleverde penningen. 22

Het belangrijkste deel van het antwoord aan Uedele wordt gevormd door een verweer tegen een aantal argwanende vragen van de overgebleven participanten die daarop blijkbaar een bevredigend antwoord willen voordat ze met geld over de brug komen. Of hij wel eigenaar van de venen is, of die niet bezwaard zijn, of de begrenzing wel perfect aangewezen kan worden en of de volle maat wel geleverd kan worden. Roeloff stelt dan dat hij alle venen op rechtmatige wijze verkregen heeft en dat hij zodoende genoeg kan leveren. De venen zijn slechts bezwaard met een klein bedrag dat hij gemakkelijk uit de eerste termijn van de koop kan betalen. Hij roept de participanten op zijn financiele toestand te onderzoeken. Bij de levering, inclusief de begrenzingen, is aan alle Drentse regels voldaan en er is geen oppositie geweest. Van Egten berekent dat als de Amsterdamse kopers van drie-achtste deel van de Burmania/Meppense venen al menen 3600 morgen te hebben, hij wel 6000 morgen in die venen zou bezitten. Hoe zou hij dan uit al zijn venen tezamen niet 5000 morgen voor de Compagnie kunnen leveren? Verder stelt hij zo spoedig mogelijk met de turfgraverij te willen beginnen, dat daarom de verlaten klaar gemaakt moeten worden en dat de participanten de penningen daarvoor nog niet hebben geleverd. 23

Het is waarschijnlijk dat de problemen die blijkbaar binnen de Compagnie ontstaan, teruggaan op de aankoop van de andere helft van de zogenaamde venen van Meppen. En het lijkt er ook op dat met deze venen een spel gespeeld is. De achtergronden van de manipulaties, met name de motieven en intenties  van de betrokkenen, zijn meen ik nog in duisternis gehuld en dat zal waarschijnlijk zo blijven. Dat zit hem vooral in de aard en kwaliteit van de tot nu bekende bronnen. Die geven hierover geen informatie en zijn zelf qua feitelijkheden deels tweedehands. Er zijn slechts een paar kleine, voor een deel op ander plaatsen gevonden, brokjes informatie, die bepaalde aanwijzingen lijken te geven. Het amendement van 28 juli 1631, het uittreden van Amsterdam en de door Roeloff verwoordde klachten uit Leiden. Er lijkt een spel op de wagen gezet, maar welk spel daar is geen inzicht in, daarover is te weinig informatie, zijn geen harde gegevens aanwezig. Vrij zeker is wel de onrust onder de participanten. Ondanks deze perikelen wordt er doorgegraven aan de Grift en die zal voorjaar 1632 grotendeels klaar zijn geweest, want de overgebleven participanten betalen 20 mei (n.s.) hun eerste termijn. Die dagen zijn ze bijeen in Leiden en er worden meer zaken afgehandeld. Op de vergadering van 21 mei vragen de participanten Van Egten weer dringend om zekerheid over de volledige levering van de verkochte partijen te verschaffen. Roeloff belooft daarop dat bij enig defect in de omvang hij uit zijn eigen portie zal aanvullen, of dit zal verrekenen (dit is conform het contract FN).  Het lijkt er op dat (een groot deel van) de participanten helemaal niet van plan zijn (is) gezamenlijk op te trekken. De eigen morgens worden als aparte onderdelen van de Compagnie benoemd. Besloten wordt dat het 51ste part, de kavel voor de kerk, ondergebracht wordt bij van Egten en de eerste keer vrij van ommeslag zal zijn  (= 400 gulden). 24

Een week later, 27 mei 1632, betaalt Cornelis Martsen van Amsterdam 10.000 gulden voor 200 morgen veen in een keer (ook voor A. Kuyper). Bernard Bentink betaalt 28 mei voor 100 morgen. Diezelfde dag nemen 11 Amsterdammers daadwerkelijk afscheid. Ze transporteren hun parten veen en krijgen de betaalde penningen, mijns inziens dus reeds geleverde gelden voor de vaart, terug. Roeloff blijft nu achter met 16 Hollandse participanten (incl. Vreughden en Martsen) voornamelijk uit Leiden en omstreken, drie Bentinks en predikant Bokenberg. De groep van 21 participanten vormt op dat moment met 3800 morgen (1000 – 2300 – 400 – 100=kerkpartij) de Compagnie.  Deze telt dan dus nog 13 onverkochte parten van 100 morgen. Pas van september van hetzelfde jaar is er een verslag van een bijeenkomst waarin, zo lijkt het, voor het eerst vergaderd wordt over een aantal gezamenlijk aan te vatten praktische zaken. Eind 1632 tekent Hendrik Bentink nog eens voor 100 morgen en in april 1633 Hendrik Schaap, een neef van Roeloff, eveneens voor 100 morgen. Dan zijn er in totaal 22 participanten met 4000 morgen veen en 10 onverkochte parten. Van september 1632 tot eind 1633 zijn slechts twee verslagen van vergaderingen bewaard gebleven. Vergaderd wordt er de ene keer in Echten, de ander keer in ‘s-Gravenhage. In de notulen wordt wel gesproken van de Heere van Echten en de participanten van de Echtinger Veenen in compagnie, soms van ‘die heeren van Echten’ ( de jonker en een Bentink). 25

Terwijl in het veld toch hard gewerkt moet zijn, wordt daar op papier geen woord aan besteed. Er zijn blijkbaar andere zaken aan de orde. Ondanks de gemeenschappelijke activiteiten in het veen, besluiten de participanten van ‘die Echtens Veenen’ 21 juli 1633 bijeen te Echten na uitvoerig beraad, de massa (sic) van de venen, tot op die dag gemeenschappelijk, te scheiden. Er zijn twee partijen, de jonker c.s. enerzijds en de ´Participanten in Hollant´ anderzijds. Beide partijen kunnen van nu af naar eigen goeddunken- ‘gelieven en welgevallen’ – met hun venen aan de slag.  De overige punten van de overeenkomst van maart 1631 blijven overigens onverkort geldig. Ze betreffen voornamelijk de vaarten. Er wordt ook weer tot een omslag besloten (6 gulden de morgen, tezamen dus al 10 gulden per morgen!) waarschijnlijk om de onkosten die de bouw van verlaten en huizen, de aanleg van de veenderij en de aanschaf van pramen leveren te dekken. De 14de oktober van dit jaar wordt voor de Etstoel ook nog de naarkoop door Van Egten van de helft van de Mepper venen afgehandeld. Hij moet als koper 17.000 caroliguldens op tafel brengen. 26

28 december 1633 komt het in ‘s-Gravenhage na veel gedelibereer tussen ‘Jonckheer Roeloff van Echten Heere tot Echten’ en ‘ die Hollandsche Participanten ’ tot een akkoord over ‘de absolute scheiding en finale deling van de massa der Echtener Venen’. Uitgegaan wordt van een kavelverhouding 28-23. Het is mogelijk dat de jonker bij de scheiding het noordelijke deel van de venen claimt. In ieder geval wordt er besloten dat Van Echten c.s ‘ten eeuwigen dage’  ten noorden van een te trekken scheidslijn zullen verblijven en de Hollanders voor dezelfde tijd aan de zuidzijde. Als scheiding moet een grift gegraven gaan worden en deze zal zo gelegd moeten worden dat die het voorste deel van het gescheiden veen – dat wat al geprepareerd is en waaronder, zo wordt gesteld, ook begrepen moet worden hetgeen de Heer van Echten nu voorleden zomer bij de massa geboekt en ingestoken heeft uit de Pesser Veenen – naar de afgesproken verhouding verdeeld. Voorwaar geen sinecure, dit bedenksel. 27

De grift die voor gezamenlijke kosten gegraven zal worden, moet in 6 jaren klaar zijn. De lengte moet 500 roeden (ca. 2.5 km?) bedragen en de breedte gelijk zijn aan de ‘benedenvaart’. Verder worden gescheiden de ‘huysen’ op het veen en 8 pramen. Zal door de veenscheiding de huizenscheiding niet proportioneel uitvallen, dan zal men elkaar hierin vergoeden. De rest van het contract blijft intact en alles wordt te goeder trouw geregeld, zonder ‘ arge of list’. 12 februari 1634 wordt na de opmeting van ‘ de voorste gesepareerde strecken tot de 9 de wijke en ook datgene wat van het Pesserveen tot turven bekwaam is’ de scheiding afgerond. Het gaat dan om 153 morgen, waarvan 84 morgen (28 ste deel) ten noorden van de scheidslijn toevallen aan Van Echten c.s en 69 morgen (23 ste deel) ten zuiden aan de Hollandse participanten. Alles ‘in’t veen afgebaeckt’ en op de kaart ‘pertinentelijck aangewesen’. De gezamenlijke grift is er echter nooit gekomen, 22 augustus 1634 wordt namelijk het verstrekkende besluit genomen dat elke partij voor eigen rekening een hoofdopgaande zal moeten graven en onderhouden. 28

Bij de scheiding zijn er blijkbaar twee grote partijen en gaat men toch weer uit van de 51 parten van 100 morgen. De verhouding 28-23 is denk ik vooreerst met name belangrijk voor de verdeling van hetgeen al gezamenlijk is aangelegd, bewerkt en aangeschaft. De venen die onaangeraakt en onafgebakend in het oosten liggen (er is nog geen adequate kaart) zijn van later zorg. Wie op dit moment precies tot de partijen behoren wordt niet vermeld. De groep Van Echten wordt waarschijnlijk gevormd door de jonker, de Bentinks, dominee Bokenberg en de kerkkavel. Wellicht zijn er buiten de familie geen kopers van morgens meer geweest en is besloten de 10 onverkochte kavels binnen de Compagnie te laten. Ze zijn naar Van Egten teruggegaan. Die zou dan begin 1634 participeren met 20 parten. Of de jonker er op deze manier uiteindelijk financieel is uitgesprongen, is niet met zekerheid te zeggen. Als zijn familie hem ook werkelijk betaald heeft, dan kan het zijn dat hij aan de verkoop van 12 maart 1631 zo’n f. 55.000 heeft overgehouden en dat is een niet onaanzienlijk bedrag, maar veel minder dan de bedoeling is geweest. 29

Pas in het voorjaar van 1637 tekenen de partijen een zogenaamd nader scheidcontract. Dit vormt het uitgangspunt voor de eerste adequate uitmeting  van de massa van de venen van voorheen de Echtense Compagnie nu Generale Compagnie door de gezworen landmeter van Rijnland Stevin van Broeckhuysen. De meting wordt juni 1637 door hem op een kaart uitgetekend. Door de eerder overeengekomen scheidingsprincipes krijgen het afgebakende Hollands- en Van Echtens Lant een merkwaardige vorm. Ook moeten de dominee en de Bentinks tussen noord en zuid een aparte plaats krijgen met een eventueel eigen opgaande. Verder blijkt het gebied van de Compagnie inderdaad buiten de in 1631 overeengekomen noordelijke grens van de 5000 morgen en van de Heerlijkheid uitgebreid met de Pesser venen van Van Egten. Het lege land is nu ook op papier definitief bezet en hiermee zijn de grenzen van de latere Colonie en daarbinnen die van de veenderijen van de compagnies grotendeels vastgelegd. In het veld is dan de werkelijkheid bezetting gravend en timmerend al een tijdje aan de gang. 30

3.Graven en Timmeren. De openlegging in het veld

juli 27, 2009

Laatste, niet inhoudelijke, correcties: 16-10-2009

Tot nu volgde ik de papieren openlegging van de Echter Groote Veenen. Maar wat gebeurde er ondertussen in het veen, het lege land zelf? Hoe werd dit bezet? Een verslag of journaal waarin verhaald wordt over deze openlegging en over het werk verzet bij de aanleg van de waterverbinding tussen Meppel en het hoogveenmoeras lijkt niet bewaard gebleven. Hoe die openlegging is verlopen moet geconstrueerd worden en wel uit zinsneden in de akten en de contracten, uit summiere gegevens in bewaard gebleven verslagen van vergaderingen van de Compagnie, uit een enkele opmerking van ooggetuigen en van oude kaarten. Als een archeoloog, werkend met scherven en splinters, waarbij zich steeds nieuwe interpretatiemogelijkheden voordoen (voor de schipvaart is dat werk al deels gedaan door anderen). 1

Uit die verspreide gegevens kan afgeleid worden dat er in ieder geval in de jaren 1626-1627 en 1631-34 hard gegraven en getimmerd is aan schipvaart, grift, opgaanden, greppels, verlaten en woningen. En blijkbaar is het werk goed aangepakt, want wanneer Amsterdamse participanten in de Smilder verveningen in het voorjaar van 1633 en 1634 de veenderijen bij en boven Echten bezoeken,  zijn zij enthousiast over de aldaar geleverde prestaties. Vanaf 1631 vinden de werkzaamheden plaats in wat een jonkersfase en een Compagniesfase genoemd kan worden, met een onduidelijke overgang, ook financieel. Alle activiteiten samen hebben de participanten van de Compagnie uiteindelijk veel meer geld gekost dan in eerste instantie geschat of voorgespiegeld was – niets nieuws onder de zon – bij elkaar mogelijk wel 60.000 caroli- guldens. 2

Het lijkt er op dat jonker Roeloff al direct na verkrijging van het octrooi in 1626 begint met het verbeteren van de bevaarbaarheid van het ondiepe en maar een paar meter brede veenriviertje dat langs zijn havezathe naar het westen meandert. Het wordt stroomafwaarts eerst wel Echtener Stroom, dan Oude Diep en tenslotte Echtener Wetering genoemd. In dat jaar en het jaar daarop zal volk aangetrokken zijn dat waarschijnlijk werkt aan bochten afsnijden, kaden aanleggen en het uitdiepen van de middenloop. Hogerop, bij het Westerveen, lijkt deze primitieve vorm van kanalisatie niet meer afdoende, maar er zijn ook andere redenen geweest waarom met deze werkzaamheden is gestopt. In dit kleine veen wordt vervolgens waarschijnlijk met voorbereidingen voor de veenderij begonnen. In mei 1627 worden aan Roeloff sauvegardes verleend voor 12 families om zich in Drenthe te vestigen om zijn venen in cultuur te brengen. Naar zeggen van de jonker hebben zich dat jaar bij Echten al zoveel kolonisten gevestigd dat een predikantsplaats nodig is. Het bestuur van de Landschap gaat hierin mee. In 1630 gelukt het Roelof vervolgens de zaak financieel rond te krijgen en wordt Ds. David Franzius in de kapel van het Huis bevestigd. 3

Waarschijnlijk is al snel een aantal verlaten getimmerd. Onduidelijk blijft vooreerst of dit dan nog vooral waterkeringen zijn gevormd door 1 valdeur of dat er ook al sluisjes zijn gemaakt (2 deuren). In elk geval komen de eerste klachten van aangelanden over wateroverlast al in 1627. Op zijn kaart heeft Pijnacker, vanaf Meppel naar boven toe, het hoogste verlaat geplaatst bij Houte Wambas. Net boven dit verlaat tekent hij aan de zuidzijde van de vaart een wijkenstelsel, dat qua grootte en ligging zeker niet naar de werkelijkheid is. Dit is het zojuist genoemde Westerveen, voorkomend in het contract van 1625. Het zuidelijke deel is al langer in handen van andere verveners, het noordelijke veen is van de jonker (Leeg Land III, kaart 5). De grootte van dit door de jonker gekochte veengebied was 100 bij 200 roeden (=ongeveer 34 morgen) en het veen zou volgens het contract in tien jaren vergraven moeten zijn. De bijbehorende ondergrond heeft Van Echten in 1630 niet gekocht of kunnen kopen. 4

Het is waarschijnlijk niet het enige ‘kleyne veen’ dat de jonker op dit moment rond Echten bezit. Opmerkelijk zijn namelijk de zinsneden in de scheidingsovereenkomsten uit 1633 en 1634 over de ‘Pesser Veenen’. Mijns inziens is uit die zinnen af te leiden dat Roeloff eind 1633 ten noorden van het gebied van de Compagnie en de Heerlijkheid ook met veenderij doende is en daar mogelijk al voor 1632 mee is begonnen. Voorleden zomer bij de massa geboekt en ingestoken uit de Pesser Venen zo wordt 21 juli 1633 gesteld. Uit de gebruikte termen zou zelfs op te maken zijn dat hier op dat moment al meer gedaan is dan in het veen van de Compagnie. Verder is op de ‘ perfecte Kaarte’  van juli 1631 is de Grift, ik kom er zo nog op, met een merkwaardige hoek in noordelijke richting getekend, eindigend bij de grens met de marke van Pesse, wat er op zou kunnen wijzen dat het de bedoeling was een afvoerweg uit dit veen te creëren (Leeg Land III, kaart 7). En in zijn brief van januari 1632 heeft Van Egten het al over opbrengsten uit zijn kleine venen. Waarschijnlijk zijn dus al enige tijd verveningen op kleine schaal gaande, maar daarover is geen informatie. De vroegste bekende registratie van turfafvoer uit de venen rond Echten stamt namelijk uit de jaren 1633-34. 5

Het graven aan de Grift tussen Houten Wambuis en het grote veenmoeras is denk ik begonnen in 1631. Onder andere omdat er in de contracten van eind 1630 en maart 1631 steeds van een nog te graven grift sprake is en in juli 1631 bij de stoklegging nog een artikel gewijzigd moet worden omdat de vaart (met verlaten?) nog niet klaar is. Het lijkt me dat de griftgraverij – ruimgenomen – heeft plaatsgevonden tussen januari 1631 en voorjaar 1632. Of er, eventueel met tussenpozen, van west naar oost, van Houten Wambuis tot aan het veen, doorgegraven is, weet ik niet. Het is mogelijk dat de Grift in gedeelten is aangelegd, dat er dus tegelijkertijd aan onderdelen van het traject gewerkt is. Het kanaaltje tussen Echten en het moeras zal deels in het zand zijn gegraven, maar het kan zijn dat ook stukken veen verwijderd moesten worden of veengaten gedempt. Het wordt zo’n 5 meter breed en 1 meter diep, dus snelle voortgang is goed mogelijk als het niet echt vriest, er genoeg gravers te vinden zijn en geen grote obstakels in de bodem de weg versperren. 6

Mogelijk is er gedurende de eerste helft van 1631 gewerkt aan het deel Houten Wambuis-Echten, gebruik makend van de scheidsloot tussen de marken Echten en Steenbergen-Ten Arlo, maar dit kan ook later of deels later gebeurd zijn. Zeker lijkt wel dat er tussen januari 1631 en het begin van de zomer, waarschijnlijk vanaf april, gegraven is aan de eerste kilometers boven Echten, vanaf het kleine brugje dat de Suydtwoldiger Dijck over de scheidsloot tussen Echten en Suytwolde bracht. Het is toen, vanwege grond- of waterproblemen of beide, op een bepaald moment noodzakelijk geweest om de richting van het kanaaltje te verleggen naar een wat zuidelijker punt in het veen. Daarbij zou de Grift stuiten op de venen van Ten Arlo en Steenbergen. Roeloff verwerft vervolgens eind mei de bovenste punt van de gereserveerde venen van de markegenoten (in de vorm van een driehoek). Daarmee verwijdt hij tegelijk de benauwde toegang tot de venen van de Compagnie. Wel blijft dit veen denk ik nog even onderdeel van zijn kleine venen (Leeg Land III, kaarten 13-14). 7

Uiteindelijk bereikt de Grift tussen de zomer en het eind van het jaar 1631 de overgang tussen veen en veld en de eerste moerassige glooiingen van het hoogveen. Dan wordt, nagenoeg haaks op de Grift, een opgaande een eindweegs in noordelijke richting gegraven over de lijn die in juli 1631 als westelijke grens van de 5000 morgen is vastgelegd. Tot aan de limieten van Pesse en Suydtwolde. Mogelijk naar oude plannen. Tegelijkertijd wordt in het verlengde van de Grift, door de zojuist genoemde driehoek, een brede sleuf veen uitgegraven. In het ontveende zand wordt het kanaal nog zo’n 400 meter rechtuit gegraven. De waterverbinding tussen de zuid-Drentse hoge venen, Zuyder Zee en grote rivieren is tot stand gebracht. Het hoogveen is lek gestoken en de voorbereidingen voor de vervening op de grote veenderij, waar de jonker in zijn brief van januari 1632 zo op aandringt, zouden kunnen beginnen. 8

(te plaatsen illustratie landschap )

Maar of er dan al veel water stroomt, weet ik niet. In ieder geval zijn er nog geen verlaten aangelegd in de Grift. In juist genoemde brief van begin 1632 dringt Roeloff er bij de participanten op aan daar snel mee aan de slag te gaan en hij legt bestekken voor en vraagt advies over het aanbesteden. Pas september 1632 wordt in een verslag over verlaten gesproken. Voor de penningmeester zal bij het verlaat aan de Zuydtwoldinger Dijck een passend huis gebouwd moeten worden. Het lijkt er op dat dit eerste verlaat op dat moment al getimmerd is, maar het kan ook nog in de planning zijn. Dit laatste geldt in ieder geval voor de andere verlaten. Want even verderop gaat het over ‘die verlaten welke voorts (!! FN) gestelt sullen worden’. Deze nieuwe verlaten moeten worden voorzien van een schutkolk met een lengte van ongeveer twintig meter. Bevestiging van deze activiteiten en informatie over de constructie van de verlaten geeft Gerhard Struuck als hij 29 juni 1632 over de voortgang bij Echten aan de Smilder participanten meldt dat Roelof van Echten sluisjes met houten deuren zal laten plaatsen. Mei 1634 zijn er waarschijnlijk 4 verlaten in de  Grift gereed. Dan gaat het in de notulen over het verlaat bij de Zuydtwoldinger Brugge, dat nog gemaakt moet worden(Leeg Land III, kaart 16). 9

22 oktober 1637 telt de nieuw gegraven grift 5 sluisjes, waarvan vier tussen Echten en het veen. Het laatst getimmerde verlaat is er mogelijk nog voor de lente van 1635 bijgezet. In de Grift moeten de verlaten een verval van meer dan 5 meter bedwingen. De vijf verlaten hebben waarschijnlijk aan beide zijden punt- of draaideuren. Moeilijker is het de uitvoering van de waterkeringen van de overige 7 in 1637 aanwezige verlaten van Houte Wambas naar beneden tot Meppel vast te stellen. Deze verlaten worden, voor zover ze nog hefdeuren of een enkele hefdeur hebben, in ieder geval voor oktober 1637 eveneens voorzien van een kolk en een bovenstrooms (oostelijk) sluishoofd met puntdeuren. Zes van deze verlaten hebben benedenstrooms (westelijk) een hefdeur met opwindmechanisme. Alleen het 8 ste verlaat lijkt benedenstrooms ook puntdeuren te hebben. Oktober 1637 zijn tenslotte alle verlaten boven nog open, dat wil zeggen dat er bovenlangs tussen beide zijden nog geen verbindingsgebinten zijn aangebracht zoals aanwezig bij een aantal Smilder verlaten (zie illustraties). Ondanks de voortgaande aanleg van verlaten lijkt de Grift ook werkelijk in gebruik genomen, want in 1633 komen er weer klachten van aangelanden over wateroverlast en in dat jaar lijkt er ook turf te zijn afgevaren. 10

De openlegging van het Echtener Veen begint dus in het noordwesten. In het gebied dat als het ware de corridor vormt naar de grote veenvlakte in het oosten. Zoals gezegd lijken de voorbereidingen voor de werkelijke veenderij in de eerste jaren van de Echtense Compagnie heel voortvarend te zijn aangepakt, waarbij waarschijnlijk ook het weer meewerkte. Maar via de Compagnie worden we er weinig van gewaar. Afgaande op de bewaard gebleven verslagen hebben de participanten tussen voorjaar 1632 en voorjaar 1634 maar een paar keer vergaderd en in die verslagen treffen we met name scheidingsperikelen aan. Het is wonderlijk dat het werk hierdoor niet echt vertraagd lijkt. Toch zijn er een paar, weliswaar summiere, indirecte berichten over de eerste aanleg en de eerste productie en afvaart bewaard gebleven. En wel in de verslagen van een groep Amsterdamse bezoekers. De al eerder genoemde bezoekers verklaren dat er half juni 1634 – het is tijdens het graafseizoen – met 50 tot 60 pramen in vloten turf afgevaren wordt. Op dat moment zijn er volgens hun informatie en inschatting omtrent 300.000 manden turf gestoken. Ze zijn zeer te spreken over de in het afgegraven veen aangelegde dwarswijken met een breedte van 5.60 m. met wisselplaatsen. Eveneens over de ongeveer 20 woningen voor officieren en arbeiders, goeddeels bewoond en van mooie tuinen en beplantingen voorzien. 11

Waarschijnlijk is april 1634 het eerste echte graafseizoen van start gegaan en dan zijn de 300.000 gestoken manden turf denk ik vooral gestoken bij de aanleg van Grift, opgaanden, dwarswijken, woningen en tuinen. September 1632 wordt gemeld dat genoemde veencorridor (deels?) in 8 (land)wijken is opgedeeld en dat besloten is om een van deze wijken te verkavelen om daar ‘’eenige culture’ te doen. Waarschijnlijk betreft het de eerste wijk langs de opgaande grift naar het noorden en waarschijnlijk zijn het de voorbereidingen voor de bouw van de woningen en de aanleg van de tuinen. Van deze werkzaamheden moet een ‘caertien’ gemaakt zijn, maar dat lijkt niet bewaard gebleven. Van de resultaten van onder andere dit werk lijken de bezoekende Amsterdamse L.P. Spiegel en echtgenote voorjaar 1633 nogal onder de indruk. Dat jaar zal ook begonnen zijn met het graven van een aantal (water) dwarswijken vanuit de gemene Grift, van zuid naar noord. Het werk aan de eerste vier of vijf wijken zal voorjaar 1634 een goed eind gevorderd zijn. Mogelijk zijn dergelijke wijken in het Pesservelt al aanwezig of worden die ook in deze tijd gegraven. In de vergadering van 21 July 1633 wordt  gesproken van ‘gemaakte turf’ die ‘gemeen’ zal blijven en ‘tot gemeen profijte’ verkocht zal worden. Dus er is al turf! Verder is men op dat moment al bezig om het ontsloten veen, van het westen naar het oosten, via een systeem van greppeltjes verder te ontwateren. Begin 1634 blijkt in deze corridor en ten noorden ervan in het Pesservelt, bij elkaar al wel 154 morgen veen ‘geprepareerd’ (Leeg Land III, kaarten 5-7-9-15). 12

Al in 1633 moeten er woningen aan de oostzijde van het opgaande naar het noorden hebben gestaan. Pijnacker tekent er op zijn kaart twee, maar het zijn er dat jaar vast meer geworden, mogelijk meer dan 10. De bouw is in ieder geval doorgegaan, want het volgende jaar treffen de bezoekers dus zo’n twintig woningen aan. Deze zijn waarschijnlijk gebouwd door de timmerman van (Roelof Van) Echten. Maar in de verslagen van de Compagnie wordt slechts 1 huis apart vermeld. Het staat ‘tegenover het Kinholt’ en kostte 300 gulden. In 1632 en 1633 zijn ook drie verlaten gebouwd, maar verlaatswoningen en verlaatslui worden nog niet in de verslagen vermeld. Zomer 1633 en ook een jaar later nog is de Compagnie eigenaar van 8 pramen. Dat dit niets vertelt over de totale turfafvaart blijkt uit de juni 1634 door de bezoekers vermelde vloot pramen. Ook het door hen genoemde aantal manden turf zou op een drukke scheepvaart kunnen wijzen, veel drukker dan het aantal geregistreerde afvaarten aangeeft. De manden zijn namelijk om te rekenen naar 1200 lasten en 800 pramen met turf. Dan is het, rekening houdend met het vaarseizoen, aannemelijk dat er ook al in 1633 turf werd afgevaren. Dit terwijl nog maar drie verlaten in de Grift klaar zijn. En in ieder geval moet al een grote groep schippers van elders met kleine pramen bij de turfafvaart uit het Echtense betrokken zijn. Verder kan het aantal direct bij de turfgraverij betrokken gravers, uitgaande van het graafseizoen en van ploegen van 6-8 man, in deze jaren ongeveer 40 a 50 geweest zijn. Maar er werd ook buiten het seizoen gegraven of gegreppeld en er werd verder getimmerd aan woningen en verlaten. 13

Wie heeft de leiding bij de dagelijkse werkzaamheden in het veen? September 1632 wordt gemeld dat er een huis voor de ‘penninckmeister’ gebouwd moet worden aan de Zuydtwolder Dijck. Het huis is er nooit gekomen. De functie is wel kort waargenomen door dominee Bokenberg, in ieder geval doet hij dat enige tijd na juli 1633. Voor de dagelijkse leiding moeten we denken aan een rentmeester, maar niets wijst de eerste jaren naar een dergelijke functionaris. Pas begin 1634 blijkt elk van de partijen een rentmeester en een veenmeester in dienst te hebben, maar of die dan al in het veen wonen is de vraag. Wel wordt er september 1632 gesproken over een veenmeestersinstructie. Was er toen al een veenmeester aanwezig? In de oudste verslagen lezen we de namen Emmerick Jans, Henric Claes(sen) en Roelof(s) Oostinck. Geen van hen is denk ik rentmeester geweest. Mogelijk zit er een veenmeester bij. Heeft verder de in Smilde blijkbaar invloedrijke Gerhard Struuck een belangrijke rol gespeeld? In 1632 stelt hij de Smilder participanten voor om de sluisjes met houten deuren die van Echten laat bouwen ook in hun vaart aan te brengen en het lijkt er op dat het idee om aldaar woningen in het veen te zetten, zoals ook bij Echten gebeurde, eveneens van hem komt. Of is het jonker Van Egten zelf die in deze zaken steeds het initiatief neemt? (zie illustraties) 14

De verslagen van 1634 staan vooral in het teken van de afhandeling van de kortstondige en nu afgebroken gezamenlijkheid en de organisatie van de nieuw ontstane situatie. Die lijkt op allerlei punten nog in experiment. De op papier uitgezette scheiding brengt in de praktijk een overgangssituatie. Zo staat er nog turf uit de ‘gemene’ tijd op het veld. Een onderwerp is verder de afhandeling van schulden die via een ommeslag van f. 82 per kavel (=x 50) uiteindelijk vereffend  moeten worden. Er wordt besloten dat officieren (leidend personeel) na ‘misnoegen over hun meesters’ niet bij de andere partij in dienst mogen treden en arbeiders die lichtvaardig van de ene naar de andere partij lopen moeten ook geweerd worden. De boekhouding van wat nu de ‘Generale Compagnie’ wordt genoemd en van de afzonderlijke particuliere partijen moet op orde gebracht worden. Aan de veenmeesters wordt opgedragen de greppels naar de ‘Grote Meiren’ te verlengen in verband met de droge tijd (8 april) en om uit de gemene beurs een greppel aan te leggen naar het grote meerstal om daar water uit te krijgen en er mettertijd met een klein ‘ scholetgen’ heen te kunnen varen (22 augustus). Ze moeten ook de pramen drijven en teren en deze vervolgens verdelen. 15

Verder wordt er over het vergaderschema en de plaats van vergadering gesproken. Hoe de stemverhoudingen tijdens deze vergaderingen zijn wordt niet duidelijk, maar wegblijven bij een afgesproken vergadering geeft stemverlies. De Compagnie heeft nu blijkbaar een officier in dienst die de penningen beheert. Het is de eerder genoemde Hendrick Claes en hij woont in Meppel of  Swartsluys. Hij int turfpenningen, doet betalingen voor de Compagnie en stelt de rentmeesters gelden ter hand. De  rentmeesters van beide partijen krijgen opdracht om te boek te stellen hoeveel turf uit elks veen uitgevoerd wordt (en aangaande de turf die uit het veen van de ‘Vriezen’ uitgevoerd wordt daarvan zal Bartelt van Gieteren kerfstok houden, zo wordt 22 augustus 1634 genoteerd). Er wordt dus volop turf gestoken. Tenslotte wordt besloten dat vanaf eind augustus 1634 de schippers het lastgeld zullen betalen. Tot dat moment werd dit blijkbaar door een andere partij, wellicht de verkopers, gedaan. Het lijkt er zo op dat de schippers niet alleen vervoerders maar ook tussenhandelaren worden. Zij kopen een lading turf in het veen en verkopen die op de markt. 16

Over deze schippers, over de gravers en andere werkers en over de eerste bewoners, de Coloniers, horen we deze eerste jaren verder niets.  Wie het zijn weten we ook niet. Vanaf 1626 wordt er gegraven in het Westerveen en aan de schipvaart tot aan Houte Wamboys. De eerste arbeiders en hun gezinnen vestigen zich dan in of rond Echten. Na de winter van 1631 wordt er aan de grift boven Echten gegraven en wanneer de werkzaamheden in het Oosterveen beginnen, is er mogelijk een belangrijke toename van werkvolk. Komt dat vooral uit de omgeving aangelopen voor bijverdienste in schrale jaren? Of komen werkkrachten, opgeroepen via biljetten, al van verder weg? 22 februari 1631 kreeg de jonker een vergunning van GS om een tapperij in het veen te vestigen en voorjaar 1634 staan er al zo’n 20 ‘huysen’ in de eerste wijk. Een klein deel daarvan wordt bewoond door de officieren van de Hollanders en Van Egten. Wellicht staat er een kroeg bij en worden de overige huizen door schippers, veenbazen en arbeiders bewoond. 17

Het lege land is nu ook in werkelijkheid definitief bezet. Vooreerst zo lijkt het door twee veenderijen. Want hier ging het alleen over de activiteiten van de jonker en de Compagnie. Waren de boeren van Steenbergen en Ten Arlo wellicht ook al aan de slag in de door hen gereserveerde venen? Hierover lijken geen gegevens bewaard. Het valt niet uit te sluiten want in 1634 vragen ze aan de Staten van Drenthe of zij eveneens octrooi (hier alleen vrijheid van belasting betreffend) kunnen verkrijgen. De verlening is niet terug te vinden, maar het octrooi moet op een gegeven moment wel verkregen zijn, want in 1656 vragen de eigenaren van Steenbergen en Ten Arlo samen met Van Echten en de Compagnie verlenging aan. 18

4. Boeren, Hollanders en een jonker. Gissen naar achtergronden

juli 27, 2009

Laatste, niet inhoudelijke, correcties: 16-102009

De familie Van Echten is wellicht al in de middeleeuwen doende geweest met vervening en ontginning ten westen van het Huis. En waarschijnlijk zullen de Van Echtens als gewaardeelde in omliggende venen turf hebben laten graven voor eigen stook. Zo zullen ze ook enige ervaring met turfvervoer over de watertjes in de directe omgeving van hun havezathe hebben gehad. En als Roeloff van Egten trouwt met Anna Bentinck, dochter van de Drost van Salland, is dat huwelijk dan geheel of gedeeltelijk onderdeel van familieplannen met de venen oostelijk van de havezathe? Deden de Van Echtens hier wat Burmania zou hebben nagelaten en wel de ‘Stichtse kaart spelen’ vanwege het grote belang van een goede afvoerweg voor de turf? Was de familie Bentinck en misschien Anna zelf een drijvende kracht achter exploitatieplannen?  In ieder geval kopen Roeloff en Anna kort na hun trouwen (1616) gezamenlijk  een waardeel in het Kinholdt. Mogelijk met oog op de aanleg van een afvoerroute voor de turf, of om daar een begin met de turfgraverij te maken? Merkwaardig lijkt in deze jaren de verkoop van een deel van het Westerveen door de boeren van Steenbergen en Ten Arlo. Van Egten zal in dit veen niet gewaardeeld zijn. Kon hij de verkoop niet voorkomen? Of was die op een of andere wijze een onderdeel van de plannen van de boeren, van hem of van hen samen? Waren hier, als in de venen bij Smilde, Friezen bij betrokken? Wanneer precies is op deze plek met de werkelijke graverij begonnen en hoe is deze turf in eerste instantie afgevoerd? 1

De jaren tot ongeveer 1627 zouden in dit verband de eerste fase genoemd kunnen worden en er zijn dan naar mijn mening een paar mogelijkheden. Het kan zijn dat de plannen van Roeloff in deze tijd nog rudimentair of relatief kleinschalig zijn. Dat hij nog denkt aan een primitieve schipvaart met eenvoudige en goedkope verlaten, waarbij met name in de regentijd met weinig kosten langs al bestaande waterwegen gevaren wordt. Maar mogelijk reiken zijn plannen ook al verder en gaan richting vervening op grotere schaal. Na de overeenkomst van 1625 is exploitatie van het Oosterveen in een of andere vorm in ieder geval de bedoeling. Eerste obstakel voor de uitvoering van de plannen van Roeloff is dan de Groete Sijll of Swarte Sluijs, doorgang naar de Zuyder Zee. De slechte toestand van de sluis is dan al lang een doorn in het oog van Meppel. Op de rand van het Twaalfjarig Bestand verkrijgt Roeloff in 1621-22 in compagnie met zijn Overijsselse familie en met ondersteuning van het Drentse en Overijsselse bestuur het recht om een nieuwe sluis aan te leggen. Was deze actie zonder ondersteuning van de Overijsselse bestuurselite, ik bedoel met name de schoonfamilie, niet mogelijk geweest? Die wordt tot nu – en ook door mij – veelal opgevat als de eerste stap van Roeloff richting de exploitatie van de hoge venen. Maar we weten het niet zeker. Is hij gestuurd door Drost en Gedeputeerden van Drente of krijgt hij van hen juist ondersteuning voor een eigen initiatief? Hij heeft een gewichtige positie in het bestuur, de bestuurlijke elite en de Oranjefactie van de Landschap en is gedeputeerde in de jaren 1616-1621. Samenspel is er vast geweest. 2

Bij een goede doorgang naar de Zuyder Zee hebben het landschapsbestuur Drenthe, maar ook de (Amsterdamse) participanten in de Smilder venen alle belang. Die belangen liggen in de sfeer van invloed, belastingheffing en een soepele turfafvoer. Vooraanstaand lid van de Drentse bestuurselite is Gerhard Struuck, oudere compaan van Van Egten en al vanaf 1616 betrokken bij de Smilder veenderij. In ieder geval lijkt er via Struuck een vrij directe lijn Smilde-Echten te zijn. Bij de verwerving van het recht een sluis te bouwen moet verder in het oog  gehouden worden dat het na het bestand weer oorlogstijd is. Welke kant het op zou gaan wist toen nog niemand! Dat op het Huis Echten belangstelling is voor (grootschaliger?) vervening blijkt wellicht ook uit een bewaard gebleven stuk uit 1622.  Het handelt over de in die jaren zeer hoge turfprijzen. 3

Merkwaardig en verhelderend is ook hier weer de gelijktijdigheid van dit soort activiteiten en een mogelijk benarde oorlogssituatie. Is die benardheid ook maar betrekkelijk, of moeten we het zo zien dat ook hier zaken, als het maar even kon, gewoon doorgingen? 1625 zou voor de Republiek het somberste jaar ooit zijn geweest, qua oorlog, maar ook economisch en bestuurlijk-politiek. Roeloff heeft eind van dat jaar nog een sauvegarde nodig om veilig op het Huis te kunnen vertoeven. Toch weet hij samen met de boeren van Suydtwolde in diezelfde maand onderhandelingen over de overdracht van venen en de aanleg van een grift af te ronden met een contract. In de overeenkomst is niets te vinden over turfgraverij. Drie maanden later wordt de overeenkomst geratificeerd en verlenen Gedeputeerde Staten aan Roeloff octrooi inclusief de heerlijke rechten in de verkregen venen. Is dit niet overhaast? Want als de jonker grotere plannen heeft, waarom dan niet gewacht met het regelen van het octrooi?  Of blijkt hieruit juist dat tot dat moment de plannen van Van Egten niet verder reiken en past bij zijn bedoelingen zo de aanvraag van een predikantsplaats in het gehucht Echten en het settelen van kolonisten in die buurt in 1627-28? Heer van de verworven venen, directeur van een veenderij en een Echtense veenkolonie met eigen kerk? Was dit tot op dat moment de opzet en de latere ontwikkeling niet voorzien? 4

Vraag blijft in zo’n geval waarom de ondergrond niet tegelijk is gekocht. Zijn Roeloffs financiën zelfs daarvoor niet toereikend? Of is het nog de bedoeling om met vervenen te beginnen zonder aankoop van de ondergrond? Vervenen zonder eigenaar van de ondergrond te zijn was mogelijk, althans op kleinere schaal, zie het Westerveen. En volgens het contract van 1625 mag de jonker immers ook al een grift graven in de ondergrond van de markegenoten (art. 8). Of is het Westerveen bedoeld als experiment en is die aankoop onderdeel van een groter plan? Het is in ieder geval mogelijk dat over een latere verkoop al afspraken gemaakt zijn. Maar het kan ook zijn dat de boereneigenaren, om welke reden dan ook,  de ondergrond gewoon (nog) niet wilden verkopen? Echt geldgebrek lijken ze niet te hebben gehad. 5

Het lijkt me redelijk te veronderstellen dat Roeloff in 1625 op de hoogte is van de eigendomsverhoudingen in het Drentse deel van het grote veenmoeras. In het geval van grotere plannen had hij dus ook al direct meer venen kunnen aankopen. Of zijn de venen van Meppen nog niet te koop? Niet voor hem te koop? Of heeft hij voor de aankoop van venen in combinatie met de aanleg van een schipvaart als kale jonker geen gelden beschikbaar zoals juist geopperd? Of heeft de overeenkomst van 1625 alleen tot doel de venen vast te leggen en is een octrooi al in de maak, een reeds beklonken zaak? En heeft de snelle regeling van het octrooi in 1626 vooral als achtergrond het alleenrecht op aanleg en beheer van de schipvaart veilig te stellen? Grip op deze schipvaart, de enige op dat moment mogelijke effectieve afvoerweg uit het grote veencomplex,  is zeer belangrijk! Zeker als er ook anderen aan de poort staan te dringen. En denkt Roeloff via het (opzettelijk?) ruim en vaag geformuleerde octrooi rechten en vrijheden te verwerven in alle oostelijk van zijn havezathe gelegen Drentse venen? Dus ook hier zijn vele mogelijkheden te opperen bij ontbrekende informatie. 6

Voor de gewaardeelde boeren van Steenbergen en Ten Arlo is de ruil van venen tegen alleen al de verplichting een grift aan te leggen geen slechte deal. Integendeel, de aanleg van de grift met kunstwerken heeft uiteindelijk waarschijnlijk 20.000 a 30.000 caroliegulden gekost. En ze bedingen nog meer vrijheden en voorwaarden, terwijl ze ongeveer de helft van de door hen geclaimde venen voor zichzelf reserveren. Wat te zeggen van ook een mooie turfonderneming, een nieuwe bron van inkomsten in weer eens zo onzeker gebleken tijden? De in onze ogen wat merkwaardig ogende westelijke afbakening van het in 1625 overgedragen veengebied kan er op wijzen dat Roeloff tot dan denkt langs een bestaande primitieve vaarweg zijn venen in het uiterste noordwesten te kunnen ontsluiten. De tweedeling van de totale claim van de boeren op het veen en het evenwicht tussen geleverd veen en verkregen rechten beziende, lijkt het zelfs mogelijk dat de hele onderneming in eerste aanleg een plan van boeren en jonker samen is, waarbij een van noordwesten naar zuidoosten lopende vaarweg beide veendelen zou moeten gaan ontsluiten. En ik neem aan dat de boeren nog niet weten dat Roeloff zijn venen voor veel geld van de hand zal doen. Wellicht weet hij dat zelf ook nog niet. 7

Want zijn in deze eerste fase de intenties van de boeren van Suydtwolde en Van Egten nog min of meer overeenkomstig? Met op de achtergrond een stimulerende overheid richting particularisering van het gemene eigendom? En worden daarbij lokaal de rechten van de heer van Ruinen in het gebied door de betrokkenen al langer als gedateerd beschouwd? Of is de overeenkomst van 1625 juist een samenspanning van boeren, jonker en het nieuwe regiem en worden deze rechten daarbij gewoon genegeerd om er zich  van te ontdoen in de nieuwe constellatie? Maar bedenk hier nogmaals dat de tijden nog steeds onzeker zijn! Of is gewoon gebruik gemaakt van de gewijzigde machtsverhoudingen (denk bijvoorbeeld aan de confiscatie van de kloostergoederen). Speelt Roeloff toch een zeker dubbelspel en had hij al een andere koers uitgezet? Van de kant van het bestuur kan gedacht zijn aan verbetering van de belabberde financiële situatie van de Landschap door de uitvoer van turf en de instroom van kolonisten. Ondersteund door de nieuwe gedachte dat hiervoor gemene gronden opengebroken en geparticulariseerd dienden te worden. Dit alles natuurlijk gepaard aan het gebruikelijke verlenen van gunsten aan een vooraanstaand bentgenoot. 8

Als Roeloff tot maart 1626 nog een betrekkelijk kleinschalige opzet in gedachten heeft, dan is hij in de jaren daarna tot andere gedachten gekomen. In een ander geval is hij met reeds bestaande ambities of zelfs plannen verder gegaan. De uitkomst is in beide gevallen de overeenkomst van 12 maart 1631 getekend op het fort Swarte Sluys. In het contract van december 1630 blijkt voor het eerst dat de zaken anders zullen worden aangepakt dan de overeenkomst van 1625 nog doet vermoeden. Overigens zou de algemene toestand van de Republiek in de jaren 1625-1628  somber zijn geweest. Er zijn bedreigingen van buiten af, intern is de situatie politiek-bestuurlijk instabiel en gespannen en de handel verkeert in en dal. Tot eind 1628 zijn de Europese verhoudingen nog in het voordeel van Spanje. 1629 zou een beslissend omslagjaar in de militair-politieke situatie van de Republiek zijn geweest. Vraag is dan natuurlijk of de betrokkenen dit alles ook zo hebben ervaren. 9

Nu kan de opeenvolging van de afronding van de overeenkomsten van 1630 en 1631 de indruk van snelheid wekken, maar er moet een langere tijd van voorbereiding aan vooraf zijn gegaan. Zo zullen de overeenkomst op het fort – gezien de inhoud en de al in de coulissen staande participanten – en het kort daarvoor getekende contract over de venen van Meppen, zeker voeten in de aarde hebben. Daar moet denk ik wel in het hele jaar 1630 aan gewerkt zijn en wellicht is er al eerder begonnen. Ds. Bokenberg en A. Vreughden zijn op pad gestuurd en er is in Holland ruchtbaarheid aan de plannen gegeven. Langs deze weg, maar het kan even zo goed via Struuck zijn gegaan, zijn de heren van Smilde vast op de hoogte. Het meesterplan moet dus haast wel van vroeger datum zijn. 10

En de aankoop van ondergrond van Suydtwolde eind 1630 en van de helft van de venen van Meppen zijn er blijkbaar onderdeel van. Mogelijk is ook al getracht de andere helft te verwerven. In ieder geval zijn de boeren van Suydtwolde nu op de hoogte van de verkoop van venen door de jonker aan derden. Op een andere wijze suggereert het tijdstip van de overeenkomst van 12 maart 1631 wel haast. Het nog niet afgerond zijn van de transacties van de ondergronden van Suydtwolde en de venen van Meppen zouden zo te interpreteren zijn. Is er druk van andere activiteiten in hetzelfde hoogveen? Er zijn vast al Hollanders doende met andere helft van Meppen! En wie zijn bij het in elkaar zetten van het contract van maart 1631 betrokken? Ingehuurde of bevriende deskundigen uit Leiden, Amsterdam of Drenthe? Werkt bijvoorbeeld Struuck mee? 11

Als het zo is dat Roeloff in de jaren na 1625-26 tot een ander of grootser plan is gekomen, welke omstandigheden zouden daar dan mede de achtergrond van gevormd kunnen hebben? Is er bijvoorbeeld dreigende Hollandse infiltratie, lopend via de toestanden rond de Swarte Sluijs, via Smilde of anderszins? In Smilde wil namelijk  tot 1629-30 de vervening niet van de grond komen. De Smilder participanten zijn natuurlijk op de hoogte van de activiteiten van Roeloff en in het geval zij eveneens plannen hebben in het zuiden van de Landschap, dan weet hij op zijn beurt daar waarschijnlijk ook van (Struuck?). Hebben zij hun blik al laten vallen op de zuid-Drentse venen? Is hier wellicht ook een connectie met de latere aankoop van de helft van de venen van Meppen door een van hen samen met andere Amsterdammers? Verder is er sowieso veel aktiviteit in de noordelijke venen van de Republiek in deze tijd en maakt dit Roeloff onrustig? En zijn verbeterende lokale militaire toestanden in de jaren 1626-28 van invloed? Doet zich misschien nu de mogelijkheid voor om de helft van de venen van Meppen te kopen?12

Wat ook nog een rol kan hebben gespeeld zijn perikelen rond het laatste deel van de schipvaart; de grift. Het is mogelijk dat eerst routes met bestaande watertjes mee en met primitiever kunstwerken onderdeel van plannen zijn geweest, maar dat die routes niet meer afdoende worden geacht of onmogelijk blijken. Dan wordt, zo valt uit de formuleringen hierover in het contract 1630 af te leiden, over een zuidelijker te graven grift onderhandeld. Over de loop  van het tracé moet onenigheid zijn geweest tussen de jonker en zijn medegewaardeelden. De laatsten beroepen zich op de overeenkomst van 1625 waarin neergelegd is dat hun groenlanden onaangetast zullen blijven. Trajecten die deze landen in gevaar zouden brengen worden in de overeenkomst 1630 namelijk uitgesloten. 13

Is het dan zo dat het in de onderhandelingen naar voren  komende tracé, vooral door de aanleg van benodigde kunstwerken, veel te duur lijkt te worden in verhouding tot de omvang van het verworven veen en tevens Roeloffs financiële mogelijkheden te boven gaat (het lijkt me trouwens dat bij grootschaliger aanpak van de vervening sowieso kunstwerken nodig zouden zijn geweest en dat die veel geld zouden gaan kosten)? Ging hij daardoor denken aan een compagnonschap voor de aanleg van een grift met kunstwerken en kwam hij vervolgens bij verkoop van de venen en het maken van een grote winst? Voor een doorverkoop had hij dan wel de ondergronden nodig en werden die zo onderdeel van de onderhandelingen? Weliswaar wilden de boeren die  eerst niet verkopen, maar ze hadden wel belang bij een snelle aanleg van de grift  om zelf met hun venen aan de slag te kunnen gaan.  Doordat Roeloff nu anderen het gebied binnen haalt,  lijkt in ieder geval een eerste verwijdering tussen hem en de boeren van Steenbergen en Ten Arlo te ontstaan (die toe zal nemen als zij ook een part van het octrooij gaan opeisen?). 14

Naar de belangrijkste achtergrond van de overeenkomst van 1631 hoeft niet te worden gegist en die is ook al genoemd; geld en status halen uit het onnutte moeras. En mogelijk is het plan dus mede uit financiële nood geboren. Dan dringt zich de vraag op waarom uiteindelijk niet meer veen door Roeloff verkocht is. Hierover valt van alles te gissen. Heeft hij wel meer in de aanbieding, maar kan hij dat niet kwijtraken? Met name omdat kopers hun twijfels hebben over de constructie van het geheel en de bijbehorende hoge prijs van de stukken veen? Hoe zijn de makelaars eigenlijk te werk gegaan? Is er ook in Drenthe zelf gezocht? Dat de aanstaande kopers mogelijk al wantrouwend zijn en het maar een vreemd plan vinden zou kunnen worden afgeleid uit de in de overeenkomst ingebouwde beveiligingen en uitwegen. Zij zijn dus wel op de hoogte van de constructie! Of heeft Roeloff zelf twijfels over de omvang van zijn veengebied en biedt hij niet meer veen aan omdat hij zelf met 1000 morgen een dikke vinger in de pap wil houden en genoodzaakt is de makelaars goed te belonen? Of zijn de aan de verkoop voorafgaande toezeggingen om andere redenen gestokt bij zo’n 3000 morgen, waarna relatief veel veen weggegeven is aan Leidse, al dan niet reeds participerende, kennissen? Dit lijkt weliswaar weinig zakelijk en niet noodzakelijk, maar er wordt op deze manier wel onevenwichtigheid, of beter, een overwicht, binnen de te vormen compagnie mee gecreëerd. Roeloff verkrijgt zo met Leiden een sterke meerderheid. 15

Het lijkt er mijns inziens op dat de 5000 morgen maar een toevallige en dus geen geplande afronding is. Dat beeld is ontstaan omdat die 5000 morgen later, in een onjuiste benaming van de compagnie van de vroegste jaren, een eigen leven zijn gaan leiden. In ieder geval leidde fixatie op die 5000 morgen tot allerlei verkeerde interpretaties. De kans dat het anders is gegaan, is dunkt me groter. Zo had de compagnie naar mijn mening net zo goed met een veenomvang van 4500, 5500 of 6500 morgen van start kunnen gaan. Daarbij komt dat de werkelijke omvang van de venen volgens mij aan betrokkenen niet bekend is. Roeloff schat de omvang van de door hem verworven venen groter dan 5000 morgen en ik meen dat dit in werkelijkheid ook zo geweest is. 16

Dan kom ik bij de intenties van de Hollandse kopers. Daarover is niets bekend, het is alles giswerk. In de eerste plaats denk ik dat deze groep in tweeën valt, een Amsterdamse- en een Leidse club, met mogelijke subgroepjes (zie ook latere ontwikkelingen). Dat ze evenals Roeloff allemaal vooral uit waren op geld verdienen lijkt me aannemelijk. Maar hoe en op welke termijn? Ik denk dat handel in venen en turfgraverij de twee opties zijn voor de kortere termijn en wellicht denkt met name de Amsterdamse groep inderdaad aan het verhandelen van de venen. Dat een aantal deelnemers de aankoop als een belegging voor de langere termijn ziet blijft eveneens mogelijk. 17

Vraag is dan meteen waarom deze kopers uiteindelijk toch, zo lijkt het, in verhouding buitengewoon veel geld per morgen willen betalen. Is toegankelijk veen schaars en is dit bijna toegankelijke veen daarom aantrekkelijk en meer waard? Er zou al snel turf gegraven kunnen worden in tegenstelling tot bijvoorbeeld de gang van zaken in Smilde. Is hen voorgeschoteld dat de altijd gewichtige afvoerweg voor de turf al nagenoeg gereed is en het gezamenlijk aanleggen van het laatste stuk niet meer dan 20.000 zal vergen? Het bedrag zal dan in compagnie opgebracht worden. Zijn vraag en prijzen op de turfmarkt gunstig? Is het aanbod van een kant en klare compagnie onder protectie van de heer Van Echten een lokker? Een nadeel blijft lijkt me de dure aankoop van het veen. Of zijn de aankopen voor een deel van de kopers maar peanuts en voor anderen vooral een ‘vrundendienst’? 18

Dan volgt het vertrek van de Amsterdamse participanten eind 1631. Het amendement op uittreding bij de stoklegging 28 juli van ditzelfde jaar wordt tot nu gezien als een eerste teken, een vooraankondiging, maar de amendering kan ook van alle participanten of zelfs van een andere dan de Amsterdamse groep afkomstig zijn. Redenen geven de vertrekkers niet. Het wantrouwen en de onrust over de levering van de gekochte venen dat bij de achtergebleven Leidse groep (blijkens de brief van Roeloff en verslagen van latere vergaderingen) aanwezig is en zal blijven, zou eveneens de aanleiding geweest kunnen zijn van het opstappen van Amsterdam. Ze zouden dan helemaal geen vertrouwen en zin meer in de hele onderneming hebben gehad. In hoeverre op dat moment al kwade geruchten over de verwerving en de eigendom van de venen door Roeloff circuleren, blijft onbekend. Maar zo kom ik wel bij de ‘zaak Meppen’ die mogelijk al een rol speelt bij de vorming en zeker in de eerste jaren van de Compagnie van de Echtinger Hooge Veenen. 19

De onrust onder de participanten waar het amendement waarschijnlijk een uiting van is zou, denk ik,  heel goed in verband kunnen staan met de aankoop in juni door de Amsterdamse groep van de Trumperhelft van de Burmaniavenen. Mogelijk komt daarmee de ongescheiden status van die Burmaniavenen tot leven! In deze zaak gaat het om splinters informatie., maar naast elkaar gelegd prikkelen die wel de verbeelding. Zo zijn er de gegevens over het optreden van Martsen en de Spiegels, in het bijzonder Laurens Pieter Spiegel en de informatie die jonker Roeloff in zijn brief geeft over het optreden van deze heren en consorten rond het uittreden van de Amsterdammers. Snuiven we hier de geur van complot en dubbelspel? Is geprobeerd onderhands of via stromannen venen te verwerven? Met deze paar feitjes kunnen hele bouwwerken van gissingen en speculaties opgezet worden, waarin alle partijen een goede of kwade rol kunnen spelen. En hoe is het zo’n tachtig jaren daarvoor gegaan? Was Burmania werkelijk van plan te gaan vervenen, of legde hij slechts de hand op een groot Drents veenmoeras? Werden er toen boeren bij de neus genomen of waren zij bijdehand toen ze iets wegdeden wat ze liever kwijt dan rijk waren? Wil op dit alles meer licht op vallen dan zijn andere bronnen en verder onderzoek nodig. 20

De volgende vragen kwamen in een ander verband hierboven ook al aan de orde. Zijn het Hollandse initiatieven die het begin vormen van het spel rond de Burmania- of Meppense venen waarna een lokale reactie, in dit geval van Roeloff van Egten, volgt? Of ligt het initiatief bij de jonker, onder andere reagerend op bredere ontwikkelingen in de Republiek en lokt dit Hollandse belangstelling? Bijvoorbeeld via Smilde? Of wordt die toch vooral door Roeloff zelf richting venen getrokken via zijn makelaars, zoals tot nu ook steeds is aangenomen? Zijn Amsterdammers in koffijhuizen op de hoogte geraakt van het project van de Drentse jonker? Een zaakje van heertjes en achterkamertjes, want laten we wel zijn, waar we hier zo gewichtig over doen was in deze jaren aan nagenoeg niemand bekend. En wat te denken van het her en der opduiken van Gerhard Struuck en de aanleg van grift en veenderij waarbij Echten steeds iets op Smilde voor ligt. Wat betekenen Roeloff en Gerhard voor elkaar in deze?  21

De intenties van de groep Leiden en Roeloff c.s. na het vertrek van de  Amsterdammers geeft een volgend cluster van vragen. Al in de loop van 1632, voordat de werkzaamheden in het veen zelf begonnen zijn, stellen in ieder geval de Hollandse participanten zich als groep op en hebben het over hun venen. Nu is het van meet af de bedoeling geweest te verkavelen en ook bij het in cultuur brengen van de eerste wijke lijkt dit het plan. Wel blijft in een dergelijk geval een gemeenschappelijke aanpak mogelijk. Maar blijkbaar was dit laatste al snel niet meer de bedoeling (van beide partijen?). Juli 1633 wordt besloten alle venen naar verhouding in tweeën te delen en van elkaar af te scheiden (separeren). Een grote algemene verkaveling lijkt dan een gepasseerd station. De participanten gaan nu in twee groepen uiteen. Was de openlegging en de gemeenschappelijke aanpak van de veenderij in de noord-westelijke corridor in de eerste paar jaar min of meer  gedwongen? Onder meer omdat de vaart en de verlaten nog niet klaar waren? 22

Er kan van alles aan de hand geweest zijn. Maar daar wordt niet over bericht. Heerst er nog steeds wantrouwen over de levering van de venen, krijgen de twijfels in de groep Leiden ook de overhand, zijn de relaties verstoord? Of ligt het toch weer wat anders en zien we hier ook een zakelijke deal? Denkt men dat een gezamenlijke organisatie van de praktijk van de veenderij te omslachtig en zo te weinig renderend is? Te weinig winstgevend op kortere termijn? Wanneer animositeit heerst dan zijn de verhoudingen binnen de Compagnie door het vertrek van de Amsterdammers weer op een andere manier onevenwichtig geworden. Tegenover de Hollandse deelnemers staat op dat moment grootaandeelhouder Van Egten met in ieder geval 1000 en waarschijnlijk zo’n 2000 morgen (de onverkochte parten zijn bij hem terug ) waar hij veel minder voor betaald heeft dan zij. Verder is hij ook nog eigenaar van omliggende en aangrenzende venen. Daarnaast hoofddirecteur van de onderneming en Heer van de opengelegde venen, wonend op een steenworp afstand, invloedrijk in omgeving en Drenthe. De Hollandse deelnemers zitten in een ondergeschikte positie. Blokvorming lijkt alleen daarom al niet vreemd, om een vuist te kunnen maken. En dan nog zou het overwicht van de jonker c.s. in een gezamenlijke veenderij blijven bestaan. 23

Anderzijds zijn dit de onderneming trouw gebleven participanten, terwijl ze net zo gemakkelijk ook hadden kunnen opstappen. Mogelijk zijn de meesten bekenden van Roeloff en een aantal van hen heeft fikse porties veen van hem cadeau gekregen ( variërend van 100 tot 200 morgen, in de verkoop 50 gulden per morgen waard, in totaal 700 morgen). Of is dit juist hetgeen de ontvangers er van weerhield te vertrekken? Onrust over het niet aanwezig zijn van genoeg veen is na het vertrek van Amsterdam ook niet meer nodig zo lijkt het achteraf, maar natuurlijk zijn de deelnemers nog niet op de hoogte van de werkelijke omvang van de venen. Wat zijn überhaupt de belangen en de positie van deze Hollanders? Is er gescheiden beter te handelen of te speculeren? De tulpenmanie zit er aan te komen! Hoe zit het met de verkoop van veen en ondergrond binnen de Compagnie? Hoe staat Roeloff er financieel voor? Is er met gemeenschappelijke gelden gemanipuleerd? Of wenst juist de jonker een scheiding? Dat kan ook nog! 24

Een andere vraag is waarom Roeloff de vrijgekomen venen niet weer heeft verkocht. Begin 1632 schrijft hij dat hij de 1200 morgen van de uittreders waarschijnlijk niet weer aan Hollandse kooplieden wil verkopen. Zij zouden dan wel heel goede papieren moeten hebben. Maar dit houdt wel een financiële aderlating in; minder inkomen en meer uitgaven via de ommeslagen. Dat lijkt weinig zakelijk, maar uiteindelijk blijven toch 900 morgen onverkocht. Zijn hier andere dwingende redenen voor geweest? Zijn er geen gegadigden? Of houden medeparticipanten verkoop tegen, zich beroepend op de overeenkomst van maart 1631? Zeker na de naarkoop van de andere helft van de Mepper venen in 1634, beschikt Roeloff naar mijn mening over veel meer dan de ca. 2000 morgen veen die hij binnen de Compagnie heeft. Maar verkoop van deze venen en een uitbreiding van de Compagnie zijn denk ik niet meer mogelijk geweest. Onderwijl achten de participanten de uitmeting van hun stukken veen nog steeds in gevaar. 25

Tot slot is er nog de vraag naar de werkelijke kosten van de aanleg van de schipvaart met verlaten en de eerste veenderij. Het lijkt er op dat de participanten hiervoor zo’n 60.000 gulden ter tafel brachten, waarvan een in verhouding groot deel van Roeloff afkomstig is. Hoe dit bedrag is besteed weten we niet. Informatie over de kosten van de sluizen in de Smildervaart maakt aannemelijk dat de aanleg van de vaart met de sluizen niet heel veel meer dan 20.000 gulden zal hebben gekost. De werkzaamheden aan de eerste infrastructuur, preparatie van de venen, de aanschaf van materialen en pramen, de bouw van huizen en zo meer, zou dan zo’n 40.000 gulden hebben gevergd. Dit lijkt veel. Speelt de voor ons schimmige overgang van jonkersfase naar compagniesfase een rol? Heeft de jonker, die in deze jaren de werkzaamheden lijkt te leiden of aan te sturen, zich wel verantwoord? Is er geld achterover gedrukt? 26

Afsluitend

juli 27, 2009

Laatste, niet inhoudelijke, correcties: 16-10-2009.

Het gedetailleerd volgen van de gebeurtenissen en enig onderzoek naar de handelingen en zelfs de intenties van de betrokkenen gedurende de openlegging van het Echtener Veen in de jaren 1625-1635 – in vooral bekende en enkele nieuwe bronnen – leidt niet tot het tegen de vlakte gooien van het huis van de Hoogeveense geschiedschrijving. De fundamenten worden niet echt aangetast, de grote lijnen behoeven op grond van de in de voorafgaande hoofdstukken gepresenteerde uitkomsten geen wijziging. Het in de literatuur bestaande beeld van hoe die fundamenten in deze jaren gelegd zijn moet wel op diverse punten gewijzigd worden en ook de recent op dit bestaande beeld geformuleerde kritiek lijkt mij grotendeels onjuist. Nu het door mij gepresenteerde nieuwe beeld al in genoemde hoofdstukken is samengevat,  zal ik afsluitend alleen nog een aantal mijns inziens belangrijke onderdelen benadrukken. Verder lijkt het me goed bij het kijken naar en het bestuderen van deze jaren meer gebruik te maken van de in de het Vooraf al genoemde perspectieven. Zo moet de openlegging en ook de verdere exploitatie van de venen naar mijn mening zeker vanuit een koloniaal perspectief bezien worden. 1

Want hoewel de papieren bezetting van een groot leeg veengebied in de Landschap Drenthe door een aantal oude en nieuwe eigenaren met de bedoeling daar de grondstof turf te gaan winnen en de vrijwel direct volgende aanleg van een nederzetting op zichzelf al koloniaal genoemd kan worden (de bronnen spreken al over coloniers !), is de setting waarin dit gebeurd eveneens grotendeels koloniaal.  Zo vindt de openlegging van de Echtense Hooge Veenen plaats ten tijde van grote koloniale expansie van de Republiek. Van verre gehaalde grondstoffen en de bewerking van die grondstoffen doet de economie van Holland en Zeeland bloeien. Dit leidt weer tot investering in en intensivering van de zoektocht naar grondstoffen en zo tot een groot aantal koloniale veroveringen van VOC en WIC. De toenemende economische activiteiten verhevigen op hun beurt de vraag naar brandstof voor de ovens en haarden en die is schaars geworden en dit leidt naar de Drentse venen. 2

Die venen liggen in een gewest dat niet is toegelaten tot de Staten-Generaal van de Republiek. Het heeft geen stem in het bestuur, fungeert als vazalstaatje, maar moet wel een financiële bijdrage leveren. In pogingen de nijpende financiële toestand van de Landschap op den duur te verbeteren, wordt onder meer de openlegging en exploitatie van venen en het afvoeren van turf naar elders op allerlei wijze bevorderd. En daarbij worden aan (potentiële) exploitanten vrijheden en rechten geschonken die sterk doen denken aan regelingen in de koloniale gebieden buiten de Republiek (zie het Octrooi van 1626). En er wordt, wanneer het door de Republiek gevormde nieuwe regiem vaster in het zadel komt en de bedreigingen van buiten afnemen, niet geschroomd om oude rechten terzijde te schuiven (zie de Heer van Ruinen). Banden met koloniale ontwikkelingen buiten de Republiek zijn er tenslotte via Hollandse participanten. Heel duidelijk zijn die aanwezig in Smilde, waarschijnlijk minder in Echten. Bij de vorming van de ‘Compagnie van de Echtense Veenen’ zijn zo’n 25 Hollandse participanten betrokken. Met name in de Amsterdamse groep participanten zijn mogelijk personen aanwezig geweest die direct betrokken zijn bij koloniale activiteiten buiten de Republiek (nader onderzoek). 3

Dit brengt bij het Hollandse kapitaal. Meermalen is gesteld dat de openlegging van de Echter Groote Veenen mogelijk gemaakt is door de inbreng van Hollands kapitaal. Deze formulering kan licht de indruk wekken dat Hollandse investeerders hier het voortouw namen. Nu meen ik dat Hollands kapitaal wel een belangrijke rol speelt, maar een minder belangrijke en andere dan in Smilde. Daar lijkt ook de openlegging  een Hollands initiatief ( maar dit moet mijns inziens nog nader onderzocht). Dat is boven Echten niet het geval. Hier ligt het initiatief bij jonker Roeloff van Egten (c.s.!) in samenspel met de boeren van Steenbergen en Ten Arlo en de Drentse overheid en is dus lokaal en regionaal. Wel kan bij dit initiatief en tijdens de voorbereiding van de openlegging een dreigende infiltratie van Hollandse kant een rol gespeeld hebben. 4

Anders dan in Smilde wordt de openlegging van het Echtener Veen, nadat Amsterdams kapitaal zich al snel terug trekt, meer een Drents-Overijsselse onderneming, waarin Hollanders waarschijnlijk ongeveer tweevijfde van de kosten opbrengen. De meeste inspanningen en gelden worden daar denk ik geleverd door jonker Roeloff van Egten, zowel in de jaren voordat de Compagnie tot stand komt als in de jaren daarna. In tegenstelling tot die in de Smilder venen is de praktijk van de Echtense veenderij vanaf het begin redelijk succesvol. Wel vertoont de gang van zaken in Smilde na 1612 op diverse punten overeenkomst met die bij Echten tot 1631. In beide gevallen ruilen markegenoten veen tegen de toezegging van aanleg van een schipvaart en worden door hen venen gereserveerd. In beide gebieden levert het bestuur van de Landschap octrooi en worden de venen kort daarna doorverkocht aan Hollandse participanten. Groot verschil is dat in Smilde verkoop en begrenzing van percelen veen los staan van het in een later stadium samengaan van de verschillende eigenaren in een compagnie. In Echten wordt de verkoop van venen en de vorming van een compagnie door een persoon geïnitieerd en samengebracht. Mogelijk  is vanuit Echten goed naar de gang van zaken in Smilde gekeken. Bij beide ondernemingen vinden de eerste grootschaliger activiteiten in het veld in de jaren 1633-35 plaats. Is hier een verband? Voor Smilde is dit laat en voor Echten vroeg, waarbij nu Echten Smilde steeds net een stap voor is en het lijkt of Smilde de gang van zaken kopieert (aanleg verlaten, bouw woningen). Uiteindelijk zal de zuid-Drentse turf, veel meer dan die van Smilde, letterlijk en figuurlijk het vuur van de economie van de Republiek gaan voeden. 5

De rol van de boeren van Suydtwolde (Steenbergen en Ten Arlo) is meen ik tot nu teveel bezien in het licht van de latere conflicten met de familie Van Echten. Zij dragen eind 1625 zo’n 1500- 2000 morgen veen over aan mede- markegenoot Roeloff van Egten (en niet 5000 zoals dikwijls is gesteld, ook nog in relatief recente literatuur) en verkopen eind 1630 de bijbehorende ondergrond. Door het westelijk deel van de Echtense Venen worden lijnen getrokken die in de latere kolonie scheidslijnen zullen blijven. De boeren wordt niet het vel over de oren gehaald door de jonker en zij zijn niet het slachtoffer van de transacties. Integendeel, er lijkt eerder sprake van samenwerking en zeker van een deal waarin Van Echten in ruil voor de venen belooft en schipvaart aan te leggen, zij verdere rechten en vrijheden verkrijgen en de jonker maar een benauwde toegang tot zijn venen verlenen. Tegelijk reserveren ze de helft van de venen die de marke meent te kunnen claimen voor een eigen onderneming. Een wat op de achtergrond geraakt en zo verborgen initiatief in het verlengde van dat van de jonker en blijkbaar licht over het hoofd gezien. Het is het begin van een langdurige bestuurlijke verdeling in het gebied  (Suydtwoldiger-en Echtens Hoogeveen). In 1630 bepalen de markegenoten, zich beroepend op het contract van 1625, eveneens de loop van het tracé van de aan te leggen grift. 6

Direct na de verwerving van de venen wordt door het Drents bestuur aan Van Echten octrooij verleend. Een al beklonken zaak zo lijkt het en een voorbeeld van samenspel van particulier initiatief en overheidssteun. Er wordt belastingvrijheid geregeld voor kolonisten in de door de schipvaart te ontsluiten venen en in de marke Echten en de jonker verkrijgt heerlijke rechten in dat gebied. De begrenzing van het gebied waar de rechten en vrijheden gaan gelden wordt niet helder geformuleerd en zal aanleiding geven tot allerlei conflicten. Ook het octrooi creëert scheidslijnen die nog lang een rol zullen spelen. Voor de jonker ligt het belang van de overeenkomst van 1625 en het octrooi van 1626 meen ik vooral in het vastleggen van de venen en het verkrijgen van het alleenrecht om een schipvaart aan te leggen. Dus in het voorkomen dat anderen venen en schipvaart in handen zouden krijgen. Contract en octrooi lijken een samenspanning van jonker, boeren en overheid. Verder kan het contract van december 1625 naar mijn mening heel goed blijven gelden als het begin van de latere kolonie Hoogeveen. Op dat moment hebben beide partijen de intentie om het eigen deel van het moeras te gaan vervenen en zullen dat ook gaan doen. 7

Maar de werkelijke start van de openlegging van het Echtener Veen is de overeenkomst van 12 maart 1631 getekend op het fort Swarte Sluys. Roeloff van Egten verkoopt die dag in maart 4000 morgen venen en ondergronden en vormt tegelijkertijd samen met de kopers een compagnie die in deze tijd vooral ‘ Compagnie van de Echtense Veenen’  wordt genoemd (en niet ‘Compagnie van 5000 morgen’ ). De voorbereidingen zijn denk ik al begonnen in 1629, het jaar waarin, achteraf bezien, het tij voor de Republiek definitief keert en het eveneens definitief rustiger wordt in het zuid-Drentse en noord-Overijsselse land. Onderdeel van die voorbereiding is de aankoop van de ongescheiden helft van de venen van Meppen (de Burmaniavenen) die 25 februari 1631 wordt afgerond. Aan de vooravond van de ondertekening van de overeenkomst van 12 maart 1631 meent Roeloff  (zo valt uit zijn brief van 12 januari 1632 (o.s.) af te leiden) wel te kunnen beschikken over zo’n 7000, 8000 of misschien wel 9000 morgen venen. Maar de werkelijke omvang van het veencomplex en van de verkochte delen zijn op dat moment aan niemand echt bekend. Toch denk ik dat Roeloff, alleen naar de omvang gekeken,  genoeg veen in handen heeft om 4000 morgen te verkopen en 1000 morgen voor zichzelf te reserveren in de Compagnie. Wel zijn de verkopen 12 maart 1631 niet volgens Drents landrecht met stoklegging (levering) afgesloten. Kan het zijn dat de afronding van de hele onderneming toch nog is overhaast, bijvoorbeeld onder druk van Hollandse infiltratie? 8

Grondige lezing van de overeenkomst van 12 maart 1631 leidt meen ik naar de belangrijke conclusie dat het eerste doel van Roeloff van Egten geweest is het binnenhalen van een grote som geld en het voor de Van Echtens vastleggen van de leiding in de onderneming. Dit zet de hele gang van zaken mijns inziens in een nieuw licht. Kapitaal van buiten, in dit geval Hollands, is bijvoorbeeld een noodzakelijk onderdeel van dit plan en zo krijgen de Hollandse participanten – hoewel zij wellicht staan te dringen aan de poort – toch een andere rol. En de gangbare interpretatie dat Roeloff het liever alleen zou hebben aangepakt, maar gedwongen was kapitaal van buiten aan te trekken, lijkt me dan ook onjuist. Andere conclusies, deels afwijkend van het bestaande beeld, zijn hier: De Compagnie is bij de vorming  voltekent, de participanten staan als het ware al in de coulissen; de verkoop van de venen en de vorming van de Compagnie zijn van elkaar gescheiden, de verkoop gaat aan de vorming van de Compagnie vooraf en blijft een zaak tussen kopers en Van Egten, er worden geen venen aan de Compagnie verkocht; de Compagnie is van meet af bedoeld voor de aanleg en exploitatie van de schipvaart; in de overeenkomst is al van verkaveling en afzonderlijke vervening sprake, maar niet van scheiding van venen en ook niet van verdere regelingen voor de exploitatie; de participatie behelst concrete stukken veen van 100-200 morgen; het octrooi gaat grotendeels over op de Compagnie, maar de civiele rechtspraak blijft bij de Heer Van Echten. 9

Mijn stelling is dat het contract een ingenieuze en wellicht als gevolg daarvan nogal onheldere constructie herbergt en dat deze vorm van de overeenkomst, waarbij (ver)koop van venen en de vorming van een compagnie geheel verstrengeld lijken, het achteraf op juiste waarde schatten van de inhoud blijkbaar heel moeilijk maakt. Zo zijn voor de hand liggende conclusies helemaal over het hoofd gezien. Wellicht is kennis van en ervaring met dit soort zeventiende eeuws materiaal nodig voor een uiteindelijke interpretatie. Het terug projecteren van de benaming ‘ Compagnie van 5000 morgen’ speelt bij de onjuiste interpretaties een belangrijke rol. De 5000 morgen en een gezamenlijke exploitatie van dit veencomplex drongen zich in de voorgrond. Maar de Compagnie van de Echtense Veenen was in de eerste plaats bedoeld om gezamenlijk de schipvaart met kunstwerken klaar te krijgen waarmee de aangekochte parten veen ontsloten zouden zijn. Die vormden in feite een soort van onderpand, of beter, de worst die de hond laat lopen. Over hoe de zaken daarna zouden moeten verlopen, laat staan over de aanpak van de vervening, rept de overeenkomst zelf niet. 10

De overeenkomst roept allerlei vragen op die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn en naar de meeste antwoorden kan alleen gegist worden. Ik ga er van uit dat de aandrift van Roeloff van Egten uiteindelijk de vergroting van inkomen, status en invloed is geweest. Het succes van de actie zou hem in ieder geval in een klap kale jonker af maken en een bij zijn politieke- en bestuurlijke status en invloed passender financiële positie opleveren. Noodzakelijke achtergronden vormen dan de expansie van de Republiek, de daarbij behorende groeiende energiebehoefte (vraag naar turf), geringe toegankelijkheid van nieuwe wingebieden van turf(?) en de aanwezigheid van bereidwillige investeerders. Laatstgenoemden waren er blijkbaar, maar had Roeloff er graag meer gevonden? En waren ze wel zo bereidwillig of hadden de kopers van meet af al bedenkingen tegen de aangeboden constructie? Grote vraag blijft ook of een plan voor de in 1631 naar voren komende grootscheepse exploitatie van het oostelijke veenmoeras misschien toch al van oudere datum is geweest. Waren de ambities van de familie en van Roeloff al veel langer groot en maakten wijzigende omstandigheden het nu mogelijk ze te verwerkelijken en vroegere plannen aan te passen? Al met al vormt het contract van 1631, waar bij gebrek aan beter veel meer uit af te leiden is dan tot nu toe is gebeurd, het uitgangspunt voor mijn verhaal over de jaren 1625-1635 en staat daarin centraal. En deze overeenkomst is niet eerder zo uitgelegd en gepositioneerd. 11

Hoewel het de bedoeling lijkt te zijn geweest na verkaveling afzonderlijk te gaan vervenen in een of ander gemeenschappelijk verband, gaat een dergelijke grote veenderij, op dat moment in opzet wellicht de grootste ooit, al snel ter ziele. Na ruim twee jaren wordt de oorspronkelijke massa van de Echtense Veenen  gescheiden en deze scheiding wordt omstreeks de jaarwisseling 1633-34 afgerond. Bedoeling is nu dat twee groepen participanten naar eigen goeddunken verder gaan. In de loop van 1634 wordt ook nog beslist dat elke partij een eigen hoofdopgaande moet graven – een beslissing die de structuur van de latere kolonie verregaand zal gaan bepalen – en 1 maart 1635 start een Hollandse compagnie, nog zonder naam. De separatie van de venen krijgt in 1637, onder andere met de kaart van Stevin van Broeckhuysen, definitief haar beslag en daarmee worden de belangrijkste begrenzingen van en binnen de latere kolonie vastgelegd. Mogelijk is de geplande eerste kaveling door aanvangsperikelen, wantrouwen en ergernissen tussen de participanten en uitlopende werkzaamheden aan grift en verlaten opgeschoven (zie brief Roeloff). De veenderij zou dan in tussentijd alvast noodgedwongen zijn aangepakt ( met goede resultaten). Of de scheiding  vooral het gevolg is geweest van heersende animositeit is niet zeker. 12

Wat er intussen in het veld aan grift, verlaten (vallaten)en bij de eerste aanleg van de veenderij gebeurt, bleef tot nu toe grotendeels onbekend. Met verspreide summiere gegevens uit bekende en nieuwe bronnen is deze gang van zaken gereconstrueerd. Het laatste deel van de schipvaart tussen Meppel en de venen – de Grifte – wordt grotendeels in het jaar 1631 gegraven. Een vroegere interpretatie dat daar de Etstoel bij betrokken zou zijn geweest is onjuist. Gedwongen door de boeren van Suydtwolde, die bang zijn voor de aantasting van hun groenlanden, moet Roeloff een zuidelijk tracé uitzetten waarbij bodemgesteldheid en waterbouwkundige zaken uiteindelijk tot een nog wat zuidelijker route dwingen. Over de schipvaart en de verlaten uit de jaren 1625-37 wordt in de bestaande literatuur nogal uiteenlopende- en  naar mijn mening deels onjuiste informatie verschaft. Ik meen dat er in 1637 in ieder geval 11 functionerende verlaten in de schipvaart tussen het veen en Meppel aanwezig. Alle met een schutkolk (sluis), dus met twee waterkeringen. De precieze constructie van deze waterkeringen is moeilijker vast te stellen. 13

Met name in het jaar 1633 moet in het veld hard gewerkt zijn en uit het ooggetuigeverslag  van voorjaar 1634 meen ik het volgende te kunnen afleiden.  Bij de eerste aanleg van de veenderij is reeds veel meer turf gegraven en afgevoerd en zijn ook veel meer arbeiders, schepen en schippers betrokken, dan tot nu gedacht is. Er wordt ook al in vloten afgevaren. Voorjaar 1634 is er al een kleine nederzetting van zo’n twintig huizen aan de rand van het Oosterveen aanwezig, het begin van de latere kolonie. De huizen zijn bestemd voor  arbeiders en officieren en zijn goeddeels bewoond. Over deze bewoners wordt verder niets vermeld. Wie het zijn weten we dus niet – een bewonersregistratie is niet bewaard gebleven – en zo blijft het begin van de kolonie Hoogeveen qua coloniers mysterieus. En of er al eerste aktiviteiten op de gereserveerde venen van de boeren plaatsvinden, is eveneens onbekend. In ieder geval is de werkelijke bezetting van het lege land nu een feit. 14

Door mij is ook gegist naar achtergronden en dat kan uiteraard de zaak niet tot echte conclusies leiden. Enkele mogelijkheden zijn hierboven al genoemd. Zo zou blijken dat de boeren van Suydtwolde inderdaad op vrij korte termijn een eigen veenonderneming startten, maar welke afspraken er in 1625 met Roeloff en mogelijk het landschapsbestuur zijn gemaakt en welke intenties er toen achter hun optreden verscholen lagen weten we niet. Verder kan alleen maar gespeculeerd worden over wat nu uiteindelijk de omvang van de door Roeloff verkochte venen heeft bepaald. Dit laatste geldt ook voor het handelen van de Hollandse participanten rondom en binnen de Compagnie. Wellicht vonden zij het plan van Roeloff van meet af aan al wat vreemd en werden ze zich in de loop van de tijd bewust van de rol die zij daar in speelden. En het schijnbaar gemarchandeer rond de venen van Meppen blijft eveneens duister.  Wel komt er, meen ik,  uit al het gegis naar voren dat de grond- en veentransakties of pogingen daartoe, vanaf december 1625 en met name tussen eind 1630 en begin 1632, onderdeel waren van een spel dat achter de schermen gespeeld is met de Echter Hooge Veenen. Een spel van zeventiende- eeuwse projectontwikkelaars? 15

Rest nog de recentelijk sterk bekritiseerde rol van Roeloff van Egten. In de gebeurtenissen van deze jaren is hij, voor zover ik kan waarnemen, ontegenzeggelijk de hoofdrolspeler. Hij staat in ieder geval vooraan op het toneel. Daarnaast zijn de voornaamste voor ons zichtbare medespelers de boeren van Suydtwolde, de participanten van de Compagnie en de heren van het Landschapsbestuur. In de achtergrond zijn nog net de  Smilder participanten –  met wellicht toch een voorname rol – en de boeren van Meppen zichtbaar. Dat Roeloffs vrouw Anna achter de schermen een hoofdrol vervulde, of dat zij als souffleur Roeloff de wensen van haar familie influisterde, blijft altijd mogelijk. In ieder geval is de Echtense veenderij, terwijl de participanten vooral bezig lijken met scheidingszaken, na 1631 in het veld slagvaardig en voortvarend aangepakt en dit lijkt me voornamelijk het werk van Roeloff van Egten. Hij lijkt de stuwende kracht te zijn geweest in deze compagniesfase. Vraag blijft of de inzet van gelden in deze jaren wel verantwoord is (geweest)? Zelf levert de jonker mogelijk de grootste bijdrage aan de eerste openlegging, maar ook dat is bij gebrek aan gegevens nog onzeker. Ik meen dat over het geheel genomen de Hollandse inbreng minder groot geweest is dan wel wordt voorgesteld. 16

En tenslotte, heeft Roeloff een dubieuze rol gespeeld in de hele onderneming, achteraf en in de ogen van de tijdgenoten? Ik meen op grond van het hier behandelde vooreerst van niet. Belangrijkste conclusie lijkt me dat, zoals eerder gezegd, alle betrokkenen in de toenmalige constellatie deelnemers zijn aan een spel met de opeens zo lucratieve venen. Ieder met een eigen rol en de hoop er op een of ander manier uit te springen. Dat boeren, Hollandse participanten of erfgenamen van Burmania zouden zijn benadeeld, bedrogen of zelfs opgelicht, lijkt mij niet het geval. Van Egten heeft hen geen loer gedraaid. Mogelijk zijn transacties niet op alle onderdelen tijdig via het geldende Drentse rechtssysteem afgehandeld, maar ik heb nergens kunnen vinden dat betrokkenen daar problemen mee hadden. De erfgenamen van de Burmaniavenen kregen de gangbare prijs voor hun venen, pas achteraf werd hen duidelijk dat Roeloff die venen voor veel meer geld zou gaan verkopen. De boeren van Suydtwolde  sleepten een goede deal uit de onderhandelingen en de Hollanders waren wellicht op voorhand al argwanend, maar zijn toch ingestapt. Ze waren niet onnozel en hun deelname hebben ze 12 maart 1631 omkleed met allerlei veiligheidsmaatregelen.  Problemen waren er wel rond de verkoop van de ongescheiden venen. Die scheiding had in een later stadium kunnen plaatsvinden, maar lijkt nu onvrede over de hele constructie van 12 maart 1631 verder te hebben aangejaagd. 17

Literatuur en Bronnen

juli 27, 2009

Is in bewerking/verschijnt binnenkort